Op 20 mei 2024 stak verdachte het slachtoffer met een mes in de borst, hetgeen leidde tot een klaplong. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer, gezien de aard van het steekincident en de locatie van de verwonding.
De verdediging voerde putatief noodweer aan, stellende dat verdachte meende zich te moeten verdedigen tegen een dreigende aanval vanwege langdurige mishandeling door het slachtoffer. De rechtbank verwierp dit verweer omdat geen onmiddellijke en wederrechtelijke aanranding aannemelijk was en verdachte zich had kunnen onttrekken of hulp inroepen.
De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De straf weerspiegelt de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, die niet eerder met justitie in aanraking was gekomen.
De benadeelde partij vorderde materiële en immateriële schadevergoeding. De rechtbank wees een deel van de materiële schade toe (€410) en matigde de immateriële schadevergoeding tot €1.000, mede gelet op de rol van het slachtoffer in de situatie en het ontbreken van blijvende schade. Restant van de vordering werd afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard.
Het vonnis bevat tevens een contactverbod gedurende de proeftijd en bevestigt de voortzetting van de voorlopige hechtenis. De rechtbank wees verzoeken tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis af.