ECLI:NL:RBOBR:2024:4429

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
26 september 2024
Publicatiedatum
25 september 2024
Zaaknummer
01-117941-24
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het opzettelijk vervoeren van 72 kilogram 4-CMC

Op 6 april 2024 werd verdachte aangehouden in Eindhoven terwijl hij als enige bestuurder een auto bestuurde waarin 72 kilogram 4-CMC werd aangetroffen in een sporttas in de kofferbak. Verdachte ontkende kennis te hebben van de drugs, maar chatberichten op zijn telefoon toonden aan dat hij actief was in de drugshandel en wist van de aanwezigheid van 4-CMC.

De rechtbank achtte het onwaarschijnlijk dat iemand een dergelijke grote hoeveelheid drugs vervoert zonder hiervan op de hoogte te zijn, mede gezien de verklaring van verdachte niet concreet was en hij niet wilde verklaren van wie hij de auto had geleend. De verdediging pleitte vrijspraak wegens gebrek aan opzet, maar dit werd verworpen.

De rechtbank verklaarde het feit wettig en overtuigend bewezen en veroordeelde verdachte tot 42 maanden gevangenisstraf, met aftrek van de tijd in voorarrest. De ernst van het feit, de grote hoeveelheid drugs en de proceshouding van verdachte waren strafverzwarend. Een taakstraf of voorwaardelijke straf werd niet passend geacht.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf voor het opzettelijk vervoeren van 72 kilogram 4-CMC.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [01.117941.24]
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 01.117941.24
Datum uitspraak: 26 september 2024
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1996] ,
wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te: P.I. Alphen, locatie Eikenlaan.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 september 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 5 juni 2024. Nadat de tenlastelegging op de ter terechtzitting van 12 september 2024 is gewijzigd is aan de verdachte ten laste gelegde dat:
hij op of omstreeks 6 april 2024 te Eindhoven
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 72.000 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende 4-CMC, zijnde 4-CMC een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

De formele voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De beoordeling van de ten laste gelegde feiten

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan verdachte ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak van het ten laste gelegde feit bepleit. De verdediging heeft bepleit dat verdachte niet de wetenschap had dat er drugs in de kofferbak van de auto lagen, zodoende kan opzet op het vervoeren van deze drugs niet wettig en overtuigend bewezen worden.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Nadere overweging van de rechtbank
Gezien het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting staat vast dat verdachte als enig bestuurder in de auto zat waarin de drugs (4-CMC) zijn aangetroffen. De drugs zijn gevonden in een sporttas in de kofferbak van de auto.
De rechtbank stelt voorop dat het scenario dat een grote hoeveelheid drugs met een hoge straatwaarde aan een persoon wordt meegegeven zonder dat deze persoon op de hoogte is van deze drugs, een groot veiligheidsrisico met zich brengt. De rechtbank acht dit scenario dan ook in het algemeen onwaarschijnlijk. De rechtbank overweegt daarnaast dat de verklaring van verdachte niet concreet en verifieerbaar is. Verdachte heeft niet willen verklaren van wie hij de auto heeft geleend. Verder duiden chatberichten die in de telefoon van verdachte zijn aangetroffen er op dat hij actief is in de drugshandel. Op 3 april 2024 stuurt verdachte aan een contact: “Momenteel op voorraad 4 mmc. 4 is doorzichtig.” Op
5 april 2024 - een dag voor het tenlastegelegde feit - heeft verdachte foto’s van drugs gelijkend op de in de auto aangetroffen drugs aan een contact verzonden. De rechtbank is op basis daarvan van oordeel dat verdachte wist dat hij drugs vervoerde. Het verweer van de verdediging op het ontbreken van de opzet aan de zijde van verdachte wordt verworpen.

De bewezenverklaring

Op grond van het voorgaande en de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
op 6 april 2024 te Eindhoven opzettelijk heeft vervoerd, ongeveer 72.000 gram van een materiaal bevattende 4-CMC, zijnde 4-CMC een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf

De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het ten laste gelegde feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft - indien het feit kan worden bewezen - gezien de beperkte rol van verdachte, zijnde die van vervoerder, gepleit voor oplegging van een taakstraf voor de maximale duur van 240 uren in combinatie met een gevangenisstraf van niet meer dan één jaar, waarbij een voorwaardelijk strafdeel als stok achter de deur.
Het oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de bewezenverklaarde feiten
Verdachte heeft een grote hoeveelheid harddrugs vervoerd. Het vervoer van een dergelijke hoeveelheid duidt op de betrokkenheid in de keten van de handel in drugs. De handel in drugs gaat vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit. Tevens leidt de productie van dergelijke synthetische drugs en de daarmee gepaard gaande lozing van chemische stoffen tot schade aan het milieu. Verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan voornoemde negatieve gevolgen voor de maatschappij.
Strafverzwarend
Verdachte heeft een grote hoeveelheid drugs vervoerd. Daarnaast heeft verdachte gedurende het strafproces geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen. Hij heeft geen inzicht getoond in het kwalijke van zijn gedag. De rechtbank rekent verdachte het voorgaande aan.
Strafmodaliteit
De rechtbank heeft bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor straftoemeting. Deze oriëntatiepunten dienen ook in deze zaak als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
De rechtbank is van oordeel dat uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij, in verband met een juiste normhandhaving, een vrijheidsbeneming van langere duur op zijn plaats is. De rechtbank ziet, anders dan door de verdediging bepleit, gelet op de ernst van het feit en de proceshouding van de verdachte geen aanleiding tot het opleggen van een taakstraf en/of een voorwaardelijk strafdeel.
Conclusie
Alles tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.

Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing is gegrond op de artikelen:
2 en 10 van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod
verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straf.
een
gevangenisstrafvoor de duur van
42 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.L.W.M. Viering, voorzitter,
mr. W. Heijninck en mr. F. van Buchem, leden,
in tegenwoordigheid van mr. J. Beex, griffier,
en is uitgesproken op 26 september 2024.