Eiser heeft beroep ingesteld tegen de gedeeltelijke intrekking van de natuurvergunning van een pluimveehouderij, waarbij hij stelt belanghebbende te zijn vanwege geurhinder van nabijgelegen varkenshouderijen.
De rechtbank beoordeelt of eiser belanghebbende is bij het besluit tot gedeeltelijke intrekking van de vergunning voor de pluimveehouderij op circa 2,6 km afstand. Volgens vaste rechtspraak is belanghebbende degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen van enige betekenis ondervindt. Eiser heeft niet gesteld of gebleken dat hij geurhinder of andere milieugevolgen ondervindt van de pluimveehouderij.
De intrekking hangt samen met een ander bedrijf waar uitbreiding met varkens is gepland, maar dat besluit staat niet ter discussie. Omdat eiser geen feitelijke gevolgen ondervindt van de intrekking, is hij geen belanghebbende en is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst vergoeding van griffierecht en proceskosten af.