Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
De formele voorvragen.
De geldigheid van de dagvaarding.
De bevoegdheid van de rechtbank.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie.
Schorsing der vervolging.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Oost-Brabant
Op 24 augustus 2017 ontstond bij verdachte een brand als gevolg van een lekkage van een gevaarlijk materiaal, wat een ongewoon voorval vormde volgens artikel 5 BRZO Pro 2015. Verdachte meldde het incident tijdig aan de centrale meldkamer van de koepelorganisatie, waarbij de aard van de vrijgekomen stof correct werd doorgegeven. De centrale meldkamer meldde het voorval vervolgens aan het bevoegd gezag, maar maakte daarbij een fout in de stofnaam en meldde niet de brand.
De rechtbank oordeelde dat verdachte aan haar meldingsplicht had voldaan door tijdig en juist melding te maken aan de centrale meldkamer. Verdachte mocht erop vertrouwen dat de meldkamer de melding correct zou doorgeven aan het bevoegd gezag. Het lag niet op de weg van verdachte om de juistheid van de melding door de meldkamer te controleren.
De officier van justitie had verdachte ten laste gelegd dat zij het voorval niet of onvolledig had gemeld, maar de rechtbank vond geen strafrechtelijke verwijtbaarheid. Ook was er geen sprake van mededaderschap met de koepelorganisatie. De rechtbank sprak verdachte vrij van de misdrijfvarianten en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk voor de overtredingsvarianten wegens verjaring.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van het niet tijdig en juist melden van het ongewoon voorval en de officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard voor de overtredingsvariant wegens verjaring.