De rechtbank Oost-Brabant heeft op 29 januari 2024 uitspraak gedaan in de zaak tegen een 18-jarige verdachte die samen met een medeverdachte een mortierbom plaatste en liet ontploffen bij een horecagelegenheid in Eindhoven. Door de explosie ontstond gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor de aanwezige personen in het pand.
De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met opzet handelde en medepleger was van het feit. De explosie veroorzaakte aanzienlijke schade aan het pand, een geparkeerde auto en bracht de aanwezigen in levensgevaar. Verdachte had een duidelijke opdracht en werkte intensief samen met de medeverdachte.
De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden gericht op reclassering en behandeling. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van materiële en immateriële schade aan benadeelden, deels toegewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende bewijs.
De rechtbank verwierp het pleidooi van de verdediging om het overheidsbeleid mee te wegen in de strafmaat en vond de opgelegde straf passend gelet op de ernst van het delict en de maatschappelijke impact.