Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
[curandus],
1.De procedure
2.De beoordeling in de incidenten
3.De beoordeling
3 juli 2024voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling.
Rechtbank Oost-Brabant
De zaak betreft een geschil tussen de curator van een oudere persoon en een voormalig vermogensbeheerder die ook woonachtig was op het landgoed van de curatorcliënt. De curator stelt dat de vermogensbeheerder onrechtmatig heeft gehandeld door onverschuldigde betalingen uit het vermogen te verrichten. De hoofdzaak draait om de vraag of onrechtmatig handelen heeft plaatsgevonden en welke bedragen vergoed moeten worden.
De vermogensbeheerder vordert in reconventie contact met de curatorcliënt, die inmiddels in een verpleeghuis verblijft, en een voorlopig getuigenverhoor om bewijs te leveren over de uitleg van een testament en zorg voor de boerderij. De rechtbank oordeelt dat het verzoek tot contact niet toewijsbaar is omdat onvoldoende belang is gesteld om de bodemprocedure niet af te wachten. Het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor wordt als prematuur afgewezen omdat bewijslevering in de hoofdzaak zal worden beoordeeld.
De rechtbank veroordeelt de vermogensbeheerder in de proceskosten van de incidenten en bepaalt dat de zaak op 3 juli 2024 wordt voortgezet voor het bepalen van een mondelinge behandeling. Het vonnis is gewezen door rechter E.J.C. Adang en op 19 juni 2024 uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot contact en voorlopig getuigenverhoor af en veroordeelt de verzoeker in de proceskosten.