Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
1.[gedaagde 1] ,
[gedaagde 2] B.V.,
3.
[gedaagde 3] B.V.,
1.De procedure
2.De feiten
4.000,00*** looptijd 3 jaar vanaf 9 september 2019 5% rente.
- a) achterstelling van geldleningen
- b) kwijtschelding van geldleningen
- c) schuldoverneming en omzetting van geldleningen in aandelen.
3.Het geschil
4.De beoordeling
- Thema 1: achterstelling
- Thema 2: kwijtschelding
- Thema 3: omzetting
Thema 1: achterstelling
Pas tijdens de tweede mondelinge behandeling kwamen gedaagden met het standpunt dat de achterstelling niet ten opzichte van alle schuldeisers geldt, maar slechts tegen drie specifieke investeerders in [gedaagde 2] / [gedaagde 3] (waaronder gemeentes Utrecht en Amsterdam). Dit zou de achterstelling inderdaad minder ongunstig kunnen maken, denkt de rechtbank. Maar gedaagden hebben niet uitgelegd dat zo’n regeling op duidelijke wijze is besproken en geaccordeerd en dat gedaagden dat redelijkerwijs zo hebben mogen opvatten. En gedaagden hebben niets verteld waaruit blijkt dat er daadwerkelijk meer perspectief op terugbetaling is in de situatie van een dergelijke regeling (hoe groot zijn de schulden aan die investeerders? worden die op enig moment afgelost? wanneer? heeft de onderneming naar onderbouwde verwachting de capaciteit om op enig moment af te lossen? is daarvoor zekerheid beschikbaar?). Gedaagden hebben geen enkel concreet plan (businessplan) omschreven voor hoe de terugbetaling plaatsvindt en hoe zij aan de middelen daarvoor zullen komen. Gedaagden erkennen dat die middelen nu ontbreken. Onduidelijk is gebleven waar de middelen aan zijn uitgegeven.
althans niet op korte termijn opeisbaar” zijn, ondersteunt het standpunt van [eiseres] dat het coulance was en niet een achterstelling betrof zoals gesteld door gedaagden.
Thema 2: kwijtschelding
- niet (aan de hand van bijgehouden uren) uitgelegd wat zij voor [eiseres] hebben gedaan
- ook niets verteld over wat voor vergoeding voor welke verleende diensten of geleverde goederen marktconform of standaard zou zijn (op grond van welke factoren).
De kwijtschelding is dus in sterke mate onevenwichtig, zo moet de rechtbank aannemen. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde 1] zijn fiduciaire verplichting heeft geschonden. Hij is onzorgvuldig omgegaan met de belangen van [eiseres] . Dat mocht onder deze omstandigheden niet. [gedaagde 1] moest, gezien zijn fiduciaire verplichtingen, [eiseres] juist waarschuwen voor de risico’s en de nadelen van de beweerde beslissing tot kwijtschelding (en haar adviseren om – bijvoorbeeld – bij een goede notaris langs te gaan voor advisering en begeleiding). Dat mag worden verlangd van een belangenbehartiger/ontzorger/erfgenaam, vooral omdat een aanzienlijk persoonlijk belang in beeld is. Echter, niets is verteld over uitlatingen van [gedaagde 1] in deze richting.
Thema 3: omzetting
5.De beslissing
- a) veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling aan [eiseres] van
- b) veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling aan [eiseres] van de buitengerechtelijke incassokosten:
- c) veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan [eiseres] van € 36.000,00, vermeerderd met 5% contractuele rente vanaf de respectieve einddata van de geldleningen tot de dag van volledige betaling;
- d) veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hoofdelijk tot betaling aan [eiseres] van
- e) vernietigt de overeenkomsten tot kwijtschelding en achterstelling op grond van misbruik van omstandigheden, voor het geval deze tot stand zijn gekomen;