De rechtbank Oost-Brabant heeft bij vonnis van 29 mei 2024 uitspraak gedaan in de ontnemingsprocedure tegen verdachte, die in de hoofdzaak is veroordeeld voor het in strijd handelen met de Opiumwet. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €26.176,00, gebaseerd op een ontnemingsrapport dat de opbrengst van drugshandel over een periode van 378 dagen berekent.
De verdediging voerde aan dat de berekening niet aannemelijk is omdat verdachte niet elke dag heeft gedeald en dat medeplegen betekent dat opbrengsten gedeeld moeten worden. De rechtbank oordeelde dat het ontnemingsrapport consistent en onderbouwd is en dat de periode van 378 dagen passend is, aangezien er voldoende aanwijzingen zijn voor dealactiviteiten gedurende deze tijd.
De rechtbank hield rekening met de kosten die verdachte heeft gemaakt, vermeerderd met een bedrag van €7.560,00 voor de medepleger, en kwam tot een netto wederrechtelijk verkregen voordeel van €18.616,00. Na aftrek van verbeurdverklaarde geldbedragen van €657,98 resteert een betalingsverplichting van €17.958,02. De rechtbank legde deze verplichting op aan verdachte en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 359 dagen.