ECLI:NL:RBOBR:2024:2268

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
29 mei 2024
Publicatiedatum
28 mei 2024
Zaaknummer
01-036887-24 (ont.)
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 36e SrArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontnemingsvordering wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit drugshandel

De rechtbank Oost-Brabant heeft bij vonnis van 29 mei 2024 uitspraak gedaan in de ontnemingsprocedure tegen verdachte, die in de hoofdzaak is veroordeeld voor het in strijd handelen met de Opiumwet. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €26.176,00, gebaseerd op een ontnemingsrapport dat de opbrengst van drugshandel over een periode van 378 dagen berekent.

De verdediging voerde aan dat de berekening niet aannemelijk is omdat verdachte niet elke dag heeft gedeald en dat medeplegen betekent dat opbrengsten gedeeld moeten worden. De rechtbank oordeelde dat het ontnemingsrapport consistent en onderbouwd is en dat de periode van 378 dagen passend is, aangezien er voldoende aanwijzingen zijn voor dealactiviteiten gedurende deze tijd.

De rechtbank hield rekening met de kosten die verdachte heeft gemaakt, vermeerderd met een bedrag van €7.560,00 voor de medepleger, en kwam tot een netto wederrechtelijk verkregen voordeel van €18.616,00. Na aftrek van verbeurdverklaarde geldbedragen van €657,98 resteert een betalingsverplichting van €17.958,02. De rechtbank legde deze verplichting op aan verdachte en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 359 dagen.

Uitkomst: Betalingsverplichting van €17.958,02 opgelegd wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit drugshandel.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.036887.24 (ontneming)
Datum uitspraak: 29 mei 2024
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant, op de vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak behorende bij de strafzaak met parketnummer 01.036887.24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1990] ,
gedetineerd te: P.I. Grave.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 mei 2024. De rechtbank heeft in de hoofdzaak vonnis gewezen op 29 mei 2024. Dat vonnis behelst ook een beslissing in de zaken met parketnummers 01.135926.23, 01.020795.23 en 01.320551.22, nadat deze zaken ter terechtzitting zijn gevoegd.

De vordering.

De vordering van de officier van justitie van 4 april 204 strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 26.176,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De berekening hiervan is neergelegd in een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 8 maart 2024 (hierna: ontnemingsrapport). [1]

De beoordeling.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich – kort weergegeven – op het standpunt gesteld dat de vordering integraal dient te worden toegewezen. De officier van justitie heeft benadrukt dat er bij de opbrengst per dag is uitgegaan van een minimumpositie en dat dit bedrag voldoende aannemelijk is geworden op basis van de tapgesprekken.
Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht om de inbeslaggenomen geldbedragen in de zaak met parketnummer 01.020795.23, te weten de geldbedragen € 192,98 en € 465,00, van de betalingsverplichting af te trekken, omdat deze geldbedragen binnen de ontnemingsperiode vallen en zij de verbeurdverklaring van deze geldbedragen heeft gevorderd.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om de hoogte van de ontnemingsvordering aanzienlijk te matigen. Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de gemaakte berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet aannemelijk is, omdat er ook dagen zijn geweest waarop haar cliënt niet heeft gedeald. De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat de periode van de ontnemingsvordering dient te worden beperkt tot de periode waarin haar cliënt heeft gedeald en dat er ook rekening dient te worden gehouden met het feit dat er sprake is van medeplegen. Ook de medepleger moet hebben gedeeld in de opbrengst.
Het oordeel van de rechtbank.
De vordering van de officier van justitie is tijdig ingediend.
De rechtbank heeft in de hoofdzaak onder andere bewezen verklaard dat veroordeelde in strijd heeft gehandeld met de in artikel 2 onder Pro B en C van de Opiumwet gegeven verboden. [2] De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde hiervan wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De rechtbank vindt de conclusies uit het ontnemingsrapport consistent en voldoende onderbouwd met bewijsmiddelen. De rechtbank neemt bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel dit rapport als vertrekpunt.
Opbrengsten.
De rechtbank stelt op basis van het vonnis in de hoofdzaak vast dat er voldoende aanwijzingen zijn dat veroordeelde in ieder geval in de periode van 20 januari 2023 tot en met 1 februari 2024 heeft gedeald. Deze periode beslaat in totaal 378 dagen.
Het standpunt van de raadsvrouw dat veroordeelde niet elke dag heeft gedeald en dat daarom het uitgangspunt van 378 dagen onjuist is, dwingt niet tot aanpassing van dit bedrag. De methode zoals gebruikt in het ontnemingsrapport gaat immers uit van een gemiddelde per dag. Bij het vaststellen van dit bedrag is uitgegaan van een referentieperiode die eveneens niet-gewerkte dagen bevat. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om aan te nemen dat er in de gehele ontnemingsperiode significant meer niet-gewerkte dagen zitten dan in de referentieperiode. Daaromtrent heeft de verdediging ook niets gesteld. Verder overweegt de rechtbank, anders dan de verdediging, dat de duur van de ontnemingsperiode niet onredelijk is, gelet op de bewezenverklaarde strafbare feiten in het veroordelend vonnis en de gebezigde bewijsmiddelen die, wijzen op dealactiviteiten ruim voor de ten laste gelegde en bewezen verklaarde periode van het deal-feit.
De opbrengst per dag kan, gelet op de berekening in het ontnemingsrapport worden bepaald op € 138,50. [3] Dit maakt het totaal aan opbrengsten € 52.353,00.
Kosten.
Uit het ontnemingsrapport volgt verder dat veroordeelde in totaal € 26.177,00 aan kosten heeft gemaakt. [4] Naar het oordeel van de rechtbank is dit bedrag te beperkt vastgesteld. Uit het dossier is namelijk duidelijk geworden dat veroordeelde de strafbare feiten tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd, waardoor het aannemelijk is dat niet de gehele opbrengst per dag naar veroordeelde is gegaan. De medepleger van veroordeelde heeft in een verhoor aangegeven dat hij voor ten minste € 20 per dag aan drugs gebruikt.. [5] Uit een bericht in zijn telefoon blijkt dat hij door zijn werkzaamheden voor veroordeelde in zijn eigen gebruik kon voorzien [6] . De rechtbank acht aannemelijk dat veroordeelde ten minste € 20,- per dag heeft betaald aan zijn mededader voor het bezorgen van verdovende middelen en zal dit bedrag meenemen bij het bepalen van de door de veroordeelde gemaakte kosten.
Dit betekent dat het totale bedrag aan gemaakte kosten dient te worden vermeerderd met de gemaakte kosten door de medepleger, te weten een bedrag van € 7.560,00 (378 x € 20). Veroordeelde heeft in de ontnemingsperiode dus totaal € 33.737,00 aan kosten gemaakt.
Slotsom.
Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de navolgende berekening van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel:
€ 52.353,00 - € 33.737,00 =
€ 18.616,00.
Uit het veroordelend vonnis is gebleken dat de onder veroordeelde inbeslaggenomen geldbedragen van € 192,98 en € 465,00 worden verbeurdverklaard, waardoor het totaalbedrag van de betalingsverplichting dient te worden verminderd met deze geldbedragen.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting vast op
€ 17.958,02.

Toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 18.616,00(voluit achttienduizend zeshonderdzestien euro);
- legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van
€ 17.958,02(voluit zeventienduizend negenhonderdachtenvijftig en twee cent), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 359 dagen;
- wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. O.Y. Ifzaren, voorzitter,
mr. M.L.W.M. Viering en mr. C.A. Mandemakers, leden,
in tegenwoordigheid van mr. G.H.P. van den Berkmortel, griffier,
en is uitgesproken op 29 mei 2024.