De rechtbank Oost-Brabant behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het plegen van seksuele handelingen, waaronder seksueel binnendringen, met een vrouw die vanwege een verstandelijke handicap niet in staat was haar wil te bepalen of weerstand te bieden. De tenlastelegging betrof handelingen op of omstreeks 25 april 2022 in Tilburg.
De rechtbank sprak verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dat seksuele handelingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Het subsidiair ten laste gelegde feit, een poging tot seksueel binnendringen in vereniging met een ander, werd wel bewezen geacht op basis van chatberichten, voorbereidingen en gedragingen van verdachte en medeverdachte.
De rechtbank oordeelde echter dat verdachte vrijwillig is teruggetreden, doordat hij, geconfronteerd met de verstandelijke beperking van het slachtoffer, de uitvoering van het misdrijf heeft gestaakt en actief heeft verhinderd dat het delict werd voltooid. Hierdoor werd verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging voor het subsidiaire feit.
De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat geen straf of maatregel werd opgelegd. De rechtbank veroordeelde de benadeelde partij in de proceskosten. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer op 18 januari 2024.