Verdachte werd beschuldigd van gewoontewitwassen, witwassen van een geldbedrag van €105.086,45 en deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank stelde vast dat verdachte eigenaar was van een pand dat zonder strafbare feiten was gekocht en dat er geen bewijs was voor witwassen van twee van de drie geldbedragen, waardoor verdachte daarvan werd vrijgesproken.
Ten aanzien van het bedrag van €43.507,07 werd bewezen verklaard dat verdachte dit bedrag had witgewassen, omdat het contant was ontvangen van een veroordeelde die een ontnemingsmaatregel moest voldoen. Echter oordeelde de rechtbank dat de materiële wederrechtelijkheid ontbrak omdat de betaling verband hield met een gerechtelijke ontnemingsmaatregel, wat een strafuitsluitingsgrond vormt.
De rechtbank kon niet vaststellen dat verdachte deelnam aan een criminele organisatie, omdat het fundament van valsheid in geschrifte en oplichting rondom de onderneming ontbrak. Hierdoor werden de beschuldigingen van deelname aan een criminele organisatie en witwassen in dat kader verworpen.
Uiteindelijk werd verdachte vrijgesproken van de meeste tenlasteleggingen en ontslagen van alle rechtsvervolging voor het bewezen verklaarde witwasfeit wegens het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid.