Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
De formele voorvragen.
De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.
Gedachtestreepje 5
De inkomsten voor de werkzaamheden van [medeverdachte] , hadden zonder meer in diens failliete boedel moeten vallen en aan de curator moeten worden verantwoord. Door dit geld op haar rekening te ontvangen is dit buiten het zicht van de curator gehouden en heeft verdachte goederen aan de boedel onttrokken (gehouden). Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank – minst genomen – willens en wetens de aanmerkelijke kans doen ontstaan en aanvaard dat de schuldeisers in het faillissement van [medeverdachte] hierdoor in hun rechten zouden worden verkort.
- goederen aan de boedel heeft onttrokken en/of
- buitensporig middelen van de rechtspersoon heeft verbruikt en/of
- (een) schuldeiser(s) heeft bevoordeeld,
De bewezenverklaring.
[bedrijf 4] waren overgemaakt naar een bankrekening ten name van [verdachte] , terwijl die geldbedragen, in de failliete boedel van [medeverdachte] vielen of hadden moeten vallen,
De strafbaarheid van de feiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Oplegging van straf en maatregel.
De rechtbank is al met al van oordeel dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met één jaar. De rechtbank houdt hiermee rekening in de straftoemeting en wel in die zin dat zij niet een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen, maar een taakstraf en een beperkte voorwaardelijke gevangenisstraf.
De strafmodaliteitBij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring dan door de officier van justitie gevorderd, de rechtbank houdt rekening met de geringere rol van verdachte in de gehele strafzaak en, zoals reeds overwogen, met de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank wil via het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf invloed uitoefenen op het gedrag van verdachte, in die zin dat daarmee wordt beoogd het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegen te gaan.
Toepasselijke wetsartikelen.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
taakstrafvoor de duur van
240 urensubsidiair 120 dagen hechtenis;
gevangenisstrafvoor de duur van
3 maanden voorwaardelijkmet een proeftijd van 2 jaren.
ontzetting van het recht tot de uitoefening van het beroepbestuurder van een rechtspersoon voor de duur van
5 jaren;
verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van de curator van [bedrijf 1] ., [curator 2] , van een bedrag van
€ 7.840,00. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 74 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.