Op 9 januari 2023 heeft het openbaar ministerie onder klager 1 een hoeveelheid van de stof brorphine in beslag genomen. Klagers verzochten om teruggave van de stof, maar de officier van justitie wees dit af. Klagers dienden vervolgens een beklag in tegen het beslag. Tijdens de zitting op 20 april 2023 zijn de beklagprocedures van klagers behandeld en zijn standpunten toegelicht.
De rechtbank oordeelt dat klager 2 niet-ontvankelijk is omdat hij geen belanghebbende is in de zin van artikel 552a Sv, aangezien hij niet heeft onderbouwd dat hij een recht op de in beslag genomen brorphine kan claimen. Het beklag van klager 1 is ontvankelijk maar wordt ongegrond verklaard omdat het strafvorderlijk belang van het voortduren van het beslag is gegeven. Er is een vordering tot onttrekking aan het verkeer van de brorphine aanhangig, waardoor het beslag gehandhaafd blijft.
De rechtbank neemt aan dat het strafvorderlijk beslag betrekking heeft op 46,5 gram brorphine, ondanks de stelling van klager 1 dat 505 gram in beslag zou zijn genomen. De rechtbank vindt de onderbouwing hiervoor onvoldoende. De beslissing is genomen door een meervoudige raadkamer en is op 22 mei 2023 in het openbaar uitgesproken.