Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De formele voorvragen
4.Beslissingen over het bewijs
die osso heb ik gedaan” ook zou kunnen duiden op een woninginbraak. Daarnaast heeft er tussen beide brandstichtingen in dit pand zeven dagen gezeten en niet slechts één dag zoals in het OVC-gesprek door medeverdachte [medeverdachte 2] wordt gezegd.
Die osso die ik heb gedaan is een anonieme tip of eeh tipgeld op uitgegeven man” dan ook niet anders worden begrepen dan dat het betrekking heeft op de brandstichting in het pand aan de [adres 2] . De rechtbank wijst er in dat kader ook op dat medeverdachte [medeverdachte 2] in dat OVC-gesprek zegt: “
Want ik kan niet de hele tijd over brand praten over die telefoon snap je”
.Volgens de rechtbank blijkt uit deze uitlating onmiskenbaar dat medeverdachte [medeverdachte 2] het in het OVC-gesprek heeft over een brandstichting, en niet – zoals de verdediging suggereert – een woninginbraak.
de volgende dag” en “
zelfde avond”) komt naar de letterlijke inhoud inderdaad niet overeen met de werkelijkheid (tussen de tweede brand volgde zeven dagen na de eerste brand op 24 juli 2017). Maar de rechtbank acht deze inconsistentie niet van zodanige aard en gewicht dat dit – mede in het licht van de overige bewijsmiddelen – ontlastend is. Immers is in dit pand binnen een tijdsbestek van slechts één week tweemaal brand gesticht, waarbij tijdens de eerste brandstichting op 24 juli 2017 de brandweer kon voorkomen dat het pand volledig afbrandde. Het feit dat deze brand door de brandweer snel onder controle is gekregen zou bovendien kunnen duiden op de uitlating van verdachte in het OVC-gesprek, te weten
“toen was het mislukt”.De uitlatingen van verdachte stemmen daarom naar het oordeel van de rechtbank overeen met de gang van zaken met betrekking tot het pand.
oktober 2017heeft getracht huurders te zoeken voor het pand aan de [adres 3] . Ook blijkt uit het requisitoir dat de kern van de beschuldiging is dat medeverdachte [medeverdachte 4] in het geheel niet actief op zoek is gegaan naar huurders, anders dan in deze e-mails door haar is aangegeven. Het aanpassen van de periode van oktober 2017 naar februari 2017 is blijkens de tenlastelegging geen onderdeel van de beschuldiging. Uit de tapgesprekken tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 4] zou moeten blijken dat verdachte bij het opstellen van deze e-mails actieve bemoeienis had.
5.De bewezenverklaring
6.De strafbaarheid van het feit
7.De strafbaarheid van verdachte
8.Oplegging van straf en/of maatregel
9.Toepasselijke wetsartikelen
30 maandenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht.