Uitspraak
1.De procedure
- het vonnis van 1 december 2021 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, waarbij de zaak naar de rechtbank Oost Brabant is verwezen,
- het tussenvonnis van 16 februari 2022 en de daarin genoemde eerdere processtukken,
- de conclusie van antwoord in reconventie,
- het besprokene tijdens de mondelinge behandeling op 18 januari 2023 waarvan de griffier aantekening heeft gehouden, en de spreekaantekeningen die de advocaten hebben overgelegd.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
[eiser] beroept zich op enkele sets algemene voorwaarden: de Logistieke Service Voorwaarden (LSV), de Algemene Vervoers Condities (AVC) en de Physical Distribution voorwaarden (PD).
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] menen dat geen algemene voorwaarden van toepassing zijn omdat [eiser] zich beroept op meerdere sets algemene voorwaarden tegelijk. De rechtbank is het hier niet mee eens. In dit geval is het heel duidelijk welke voorwaarden op welke diensten van toepassing zijn. [eiser] verleent verschillende diensten (logistiek, vervoer, fysieke distributie) en de bijbehorende voorwaarden zijn van toepassing op de relevante diensten.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] menen verder dat de algemene voorwaarden niet ter hand zijn gesteld en dus moeten worden vernietigd. De rechtbank is het ook hier niet mee eens:
[eiser] wijst terecht op bepalingen in de algemene voorwaarden: artikel 11 LSV Pro, artikel 28 lid 1 AVC Pro, artikel 9 PD Pro. Daarnaast wijst [eiser] op artikel 8:1711 BW Pro. Uit deze bepalingen volgt een verjaringstermijn van een jaar. Het standpunt van [eiser] hierover is onweersproken: tussen de claimbrief van 10 december 2020 en de vorderingen in reconventie (februari 2022) zit meer dan een jaar. De claimbrief heeft de verjaringstermijn gestuit, een nieuwe termijn is gaan lopen vanaf 10 december 2020 en deze termijn is verstreken.
De rechtbank bespreekt nog een aantal verweren van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
De rechtbank is het hier niet mee eens. Het gaat hier onmiskenbaar om claims die onder de algemene voorwaarden vallen (logistieke dienstverlening, vervoer, enz.). Daarvoor geldt de termijn van een jaar (zie hiervoor).
De rechtbank verwerpt dit standpunt omdat dit helemaal niet volgt uit dat wetsartikel en ook niet klopt.
De rechtbank verwerpt dit standpunt omdat de korte verjaringstermijnen van een jaar, als hiervoor omschreven, conform de wettelijke regeling zijn in boek 8. Deze termijnen zijn niet in strijd met dwingend recht en zij zijn niet nietig op grond van artikel 3:40 lid 2 BW Pro. Contractuele vervaltermijnen zijn verder in algemene zin toegestaan en niet nietig op grond van dit artikel.
De rechtbank verwerpt dit standpunt omdat eventuele vermoedens (op basis van mededelingen in 2020, naar de rechtbank begrijpt) niet genoeg zijn voor de conclusie dat het beroep op de verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Niets is gesteld over concrete mededelingen in 2021/2022. Het standpunt van [eiser] sluit aan bij en volgt uit het wettelijk stelsel van stuiting.
Indien en voor zover [gedaagde 1] dan wel [gedaagde 2] opgeslagen goederen bij [eiser] na afloop van deze termijn niet heeft opgehaald dan is [eiser] gerechtigd om voor rekening en risico van [gedaagde 1] dan wel [gedaagde 2] de goederen op een externe locatie op te slaan.Deze zin levert een duidelijke aanwijzing op dat [eiser] de zaken niet op de stoep zou hebben neergezet en achtergelaten.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn gehouden om de facturen direct te controleren en binnen één week eventuele fouten in een factuur bij [eiser] schriftelijk te melden, op straffe van verval van alle rechten.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] menen dat [eiser] deze toeslag ten onrechte in rekening heeft gebracht en dat hun betalingen dus onverschuldigd zijn geweest.
De rechtbank verwerpt dit standpunt:
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] vinden dat [eiser] heeft toegezegd een creditnota te sturen voor € 22.626,12 inclusief btw of dat partijen zijn overeengekomen dat [eiser] die creditnota zou sturen. [eiser] betwist dat zij zoiets heeft toegezegd of is overeengekomen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de toezegging of overeenkomst niet concreet uitgelegd (wie was erbij betrokken, wie heeft wat gezegd of geschreven, waarom mocht [gedaagde 2] aannemen dat [eiser] een kwestie zo wilden oplossen?). De rechtbank verwerpt daarom het standpunt van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de rechtbank gevraagd een bevel te geven aan [eiser] om deze administratie over te leggen. De rechtbank verwerpt dit verzoek omdat de informatie niet nodig is voor de beoordeling van de vorderingen (zie hiervoor).
De punten hiervoor maken duidelijk dat [eiser] betaling op grond van de bankgarantie mocht ontvangen. Deze betaling was niet onverschuldigd.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben een vordering van € 563,00 op grond van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant over bevoegdheid. Zij wilden deze vordering verrekenen. Dit was een nieuw punt tijdens de mondelinge behandeling. [eiser] heeft gemeld dat zij niet wist of zij al had betaald. De rechtbank vindt dit beroep op verrekening in strijd met de goede procesorde. Het standpunt was voor de mondelinge behandeling niet aangekondigd en [eiser] kon geen onderzoek meer doen. De rechtbank verwerpt dus het beroep op verrekening. Dit laat uiteraard onverlet dat [eiser] € 563,00 moet betalen, als dat niet al is gebeurd.
De rechtbank wijst deze vordering van [eiser] af omdat niet voldoende duidelijk is geworden dat het gaat om andere kosten, dan de kosten die vallen onder de geliquideerde proceskostenvergoeding.