ECLI:NL:RBOBR:2022:556
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling compensatie transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid
Eiseres vordert een hogere compensatie van de door haar aan een ex-werknemer betaalde transitievergoeding, omdat zij meent dat het UWV een te lage compensatie heeft toegekend en dat dit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De ex-werknemer was langdurig arbeidsongeschikt en ontving een WAO-uitkering die eiseres doorbetaalde. Het UWV heeft de compensatie vastgesteld op basis van de peildatum direct na de wettelijke loondoorbetalingsperiode van twee jaar arbeidsongeschiktheid, zonder rekening te houden met de doorbetaalde WAO-uitkering.
De rechtbank overweegt dat de wet geen uitzondering maakt voor de situatie dat de arbeidsovereenkomst aansluitend aan de loondoorbetalingsperiode niet kan worden opgezegd. Ook is het UWV terecht uitgegaan van het bruto loon exclusief de WAO-uitkering, aangezien deze uitkering niet als loon wordt beschouwd volgens het toepasselijke Besluit loonbegrip. Het standpunt van eiseres dat het UWV onjuist heeft gehandeld, wordt niet gevolgd, mede omdat zij onvoldoende onderbouwing levert voor haar stellingen.
De rechtbank wijst verzoeken van eiseres om uitstel en het overleggen van aanvullend bewijs af wegens strijd met de goede procesorde. De compensatie van € 31.973,83 wordt als correct vastgesteld en het beroep wordt ongegrond verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de vastgestelde compensatie van de transitievergoeding wordt ongegrond verklaard.