De zaak betreft een geschil tussen het Jeroen Bosch Ziekenhuis (JBZ) en een patiënt over de betaling van een factuur voor medische behandelingen. De patiënt had een basisverzekering bij ZEKUR afgesloten die niet alle kosten in alle ziekenhuizen dekt. Het JBZ stuurde een factuur van €1.638,29 die onbetaald bleef, waarna het ziekenhuis een incassoprocedure startte.
De patiënt stelde dat het ziekenhuis haar vooraf had moeten informeren over de beperkte vergoeding door haar zorgverzekering en dat de overeenkomst schriftelijk had moeten worden vastgelegd. Het JBZ stelde dat de geneeskundige behandelingsovereenkomst al tot stand komt bij het betreden van de wachtkamer en dat het de verantwoordelijkheid van de patiënt is om te controleren of haar verzekering de kosten dekt.
De rechtbank oordeelde dat de overeenkomst rechtsgeldig tot stand was gekomen en dat er geen vormvereisten gelden. Het beroep op dwaling faalde omdat de patiënt zelf had moeten weten dat haar verzekering niet alle kosten vergoedde, mede gezien eerdere behandelingen waarvoor zij eigen bijdragen betaalde. Het JBZ had voldoende informatie verstrekt, onder meer via de website.
De rechtbank veroordeelde de patiënt tot betaling van de factuur, wettelijke rente en incassokosten, en wees de proceskosten toe aan het JBZ. Het vonnis werd uitgesproken door kantonrechters M.H. Kobussen en I.L.P. Crombeen op 3 november 2022.