3.4.In artikel 8:31 van de Awb staat – voor zover hier van belang – dat indien een partij niet voldoet aan de verplichting te verschijnen, inlichtingen te geven of stukken over te leggen, de bestuursrechter daaruit de gevolgtrekkingen kan maken die hem geraden voorkomen.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank stelt voorop dat de bestuursrechter, voordat hij toepassing kan en mag geven aan het bepaalde in artikel 8:31 van de Awb, de desbetreffende partij in de gelegenheid moet stellen de ontbrekende stukken in te zenden of aan te geven waarom bepaalde stukken niet zijn ingezonden (vgl. de uitspraak van de Centrale Raad van beroep (CRvB) van 30 juli 1999 (ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8386). 5. De rechtbank heeft verweerder met verschillende brieven in de gelegenheid gesteld de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. Verweerder heeft op geen enkele brief van de rechtbank gereageerd. Daar komt bij dat verweerder ook niet van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om tijdens de ingeplande (inlichtingen)comparities de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen, terwijl verweerder voor de comparitie van 3 februari 2022 met een aangetekende brief was opgeroepen en daarmee verplicht was om te verschijnen. Uit het voorgaande volgt dat verweerder zowel de in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb als de in artikel 8:27 van de Awb neergelegde (wettelijke) verplichting niet is nagekomen. Op grond van artikel 8:31 van de Awb zal de rechtbank hieruit de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen. De rechtbank zal daarom uitsluitend uitspraak doen op basis van de door eiseres overgelegde stukken.
6. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld (artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb). Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen (artikel 6:12, tweede lid, van de Awb).
7. Uit de door eiseres overgelegde stukken blijkt dat eiseres op 13 maart 2020 (per
e-mail) bezwaar heeft gemaakt. Op grond van artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet, gelezen in combinatie met artikel 30, negende lid, Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) eindigde de termijn om uitspraak te doen op 31 december 2020. De termijn is verstreken en verweerder heeft geen uitspraak op het bezwaar gedaan. Eiseres heeft verweerder op 22 februari 2021 (per e-mail) en 24 februari 2021 (per aangetekende post) in gebreke gesteld en heeft meer dan twee weken daarna, te weten op 16 september 2021, (digitaal) beroep ingesteld.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder te laat is met het beslissen op het bezwaarschrift. De rechtbank beschikt immers niet over de op de zaak betrekking hebbende stukken, zodat de rechtbank ervan uit gaat dat verweerder nog altijd niet op het bezwaar van eiseres heeft beslist. Het beroep niet tijdig beslissen is daarom (kennelijk) gegrond. Eiseres heeft verzocht de door verweerder verbeurde dwangsom vast te stellen. De rechtbank stelt deze dwangsom – mede gelet op het bepaalde in artikel 4:17, eerste en tweede lid, van de Awb en artikel 8:55c van de Awb – vast op € 1.442,00.
9. Als het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is en er nog geen besluit is bekendgemaakt, bepaalt de bestuursrechter dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt (artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb). Nu de rechtbank het ervoor houdt dat verweerder nog altijd niet heeft beslist op het bezwaar van eiseres, draagt de rechtbank verweerder op dat alsnog binnen twee weken na verzending van deze uitspraak te doen. Gelet op het bepaalde in artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb verbindt de rechtbank aan deze opdracht – in overeenstemming met het Landelijk beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) – een nadere dwangsom als hieronder vermeld en gemaximeerd.
10. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 49,00 moet vergoeden. De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 270,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 541,00 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de zaak van licht gewicht is, nu deze slechts gaat over de vraag of niet tijdig is beslist.
11. Het verzoek van eiseres om verweerder in deze beroepsprocedure ook te veroordelen in de proceskosten in verband met het indienen van het bezwaarschrift en het verschijnen op een hoorzitting in de bezwaarfase, wordt afgewezen. Het is immers aan verweerder om te beslissen op het bezwaarschrift van eiseres. De uitkomst van het bezwaar is uiteindelijk relevant voor de vraag of eiseres voor deze proceshandelingen recht heeft op een proceskostenvergoeding. De rechtbank kan en mag hierop niet vooruitlopen.