ECLI:NL:RBOBR:2022:2092
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken van bewijs voor voorwaardelijk opzet bij blootstelling kind aan cocaïne
De rechtbank Oost-Brabant behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het opzettelijk benadelen van de gezondheid van haar minderjarige kind door blootstelling aan cocaïne in de periode van januari tot juni 2020. De officier van justitie vorderde bewezenverklaring van het ten laste gelegde met het standpunt dat verdachte voorwaardelijk opzet had.
Verdachte verklaarde zelf meerdere malen cocaïne te hebben gebruikt in de woning waar haar dochter verbleef en dat zij meestal schoonmaakte voordat haar dochter de ruimte betrad, maar ook wel eens vergat. De rechtbank stelde vast dat verdachte zich bewust was van de kans dat haar dochter aan cocaïne werd blootgesteld, maar de vraag was of zij die kans heeft aanvaard.
De verklaring van de ex-vriend van verdachte, die aanvankelijk als verdachte was gehoord, werd als onvoldoende betrouwbaar beoordeeld. Andere bewijsmiddelen die voorwaardelijk opzet zouden kunnen aantonen, ontbraken. Daarom kon de rechtbank niet bewijzen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de blootstelling van haar dochter aan cocaïne.
De rechtbank sprak verdachte vrij van het ten laste gelegde omdat het bewijs ontbrak dat zij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van bewijs voor voorwaardelijk opzet bij blootstelling van haar kind aan cocaïne.