Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.De procedure
- het verzoekschrift van 17 januari 2022 met bijlagen;
- de mondelinge behandeling die via een skypeverbinding heeft plaatsgevonden op 18 januari 2022 te 11.00 uur.
Rechtbank Oost-Brabant
Verzoeker reisde op 23 december 2021 met zijn echtgenoot naar de Verenigde Staten, een zeer hoog risicoland sinds 30 december 2021. Tijdens het verblijf testte zowel verzoeker als zijn echtgenoot positief op het coronavirus en verbleven zij in quarantaine tot 16 januari 2022. Na een negatieve test op 16 januari keerde verzoeker op 17 januari terug naar Nederland.
Op grond van artikel 58nb WPG geldt voor reizigers uit zeer hoog risicolanden een thuisquarantaineplicht. Verzoeker vroeg opheffing van deze verplichting op grond van artikel 58nd lid 1 WPG, omdat hij al in quarantaine was geweest en negatief getest was. De voorzieningenrechter oordeelde dat geen uitzonderingen van artikel 58nc lid 1 onder b WPG jo. artikel 6.19 lid 5 Trm op verzoeker van toepassing zijn.
De rechtbank stelde dat de negatieve testuitslag voorafgaand aan terugkeer niet uitsluit dat verzoeker opnieuw besmet kan zijn geraakt, bijvoorbeeld tijdens de lange vliegreis. Ook de versoepelde quarantaineregels vanaf 15 januari 2022 gelden niet voor reizigers uit zeer hoog risicolanden. De door verzoeker aangevoerde dringende werkzaamheden binnen zijn bedrijf rechtvaardigen geen afwijking van de quarantaineplicht.
De voorzieningenrechter concludeerde dat de quarantaineplicht terecht geldt en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De beschikking werd op 18 januari 2022 door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden gegeven en in het openbaar uitgesproken door mr. W. Schoorlemmer.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de thuisquarantaineplicht na terugkeer uit een zeer hoog risicoland wordt afgewezen.