Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[eisers]
Als derde-partij neemt aan het geding deel: [naam] , te [woonplaats] .
Procesverloop
Overwegingen
- De derde-partij is eigenaar van percelen [nummer] . Daarop liggen op de percelen met de woonbestemming een vrijstaande woning en een tweetal bijgebouwen die als schuur in gebruik zijn.
- Percelen [nummer] en [nummer] hebben in het bestemmingsplan “Buitengebied 2017” de bestemming “Wonen”. Perceel [nummer] heeft de bestemming “agrarisch” zonder bouwvlak met daarnaast de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie 4.1.”
- Het gedeelte waarop de inrit richting het perceel [nummer] wordt gerealiseerd is niet in eigendom van derde-partij, maar in eigendom van het Waterschap de Dommel. Er is een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten tussen derde-partij en waterschap de Dommel inzake het gebruik van het perceel voor de ontsluiting.
- De derde-partij heeft het plan om een camperplaats “ [naam] ” op eigen erf te realiseren. De beoogde camperplaats is voor een groot deel in de agrarische bestemming en voor een klein gedeelte in de woonbestemming voorzien en heeft een oppervlakte van circa 1.175 m2. De sanitaire voorziening komt op de percelen met de woonbestemming te liggen en heeft een oppervlakte van maximaal 4,5 x 6 meter en een goothoogte van maximaal 3 meter en een nokhoogte van maximaal 5 meter. De camperplaats zal circa 10 maanden per jaar worden opgesteld.
- Verzoekers wonen aan [naam] [adres] te [woonplaats] . De bewoners aan [adres] zijn de naaste buren van derde-partij en hun percelen grenzen aan de percelen van de derde-partij.
- Op het moment van de behandeling van de zaak was de camperplaats al gerealiseerd en in gebruik.
- De toepasselijke planregels staan in de bijlage bij deze uitspraak.
- De afwijkingsbevoegdheid in artikel 3.4.1 om af te wijken van de bouwregels en de staat van nevenactiviteiten met betrekking tot de bestemming ‘agrarisch’ ten behoeve van het realiseren van een minicamping
- De afwijkingsbevoegdheid in artikel 24.4.7 om af te wijken van het verbod op een minicamping in de bestemming ‘wonen’ ten behoeve van de vestiging van een minicamping. Dit besluit heeft verweerder in het bestreden besluit gehandhaafd in afwijking van het advies van de gemeentelijke bezwaarschriftencommissie.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit;
- draagt verweerder op voor 1 maart 2022 een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van de derde-partij;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- bepaalt dat afdeling 3.4 van de Awb bij het nemen van het nieuwe besluit buiten toepassing kan blijven;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 362,00 (2x € 181,00) aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.992,00.