Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 10 november 2021 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres
het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, verweerder(gemachtigde: mr. A. Speekenbrink).
Procesverloop
Overwegingen
- De aanvraag dateert van 25 april 2019 en ziet op het legaliseren van een paardenhouderij gelegen aan de [adres] wat betreft het aspect natuur. Voor de inrichting is niet eerder een vergunning op grond van de Wnb of de voorheen geldende Natuurbeschermingswet 1998 verleend.
- Het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
- De afhandeling van de aanvraag heeft enige tijd op zich laten wachten in verband met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 [1] over het Programma Aanpak Stikstof.
- Bij brief van 6 januari 2020 heeft verweerder aan eiseres te kennen gegeven dat de op dat moment aangeleverde gegevens onvoldoende zijn om te kunnen beoordelen of de gevraagde vergunning al dan niet kan worden verleend. Eiseres is de mogelijkheid geboden om de aanvraag binnen acht weken na verzending van deze brief zodanig aan te passen dat het project in het geheel geen toename van stikstofdepositie tot gevolg heeft ten opzichte van de referentiedata van de Natura 2000-gebieden dan wel de aanvraag in te trekken en eventueel later een nieuwe aanvraag in te dienen of de aanvraag ongewijzigd door te zetten.
- De aanvraag is op 11 mei 2020 aangevuld.
- Het ontwerpbesluit en de bijbehorende stukken zijn gepubliceerd op 11 augustus 2020 en hebben gedurende zes weken ter inzage gelegen met de mogelijkheid een zienswijze naar voren te brengen.
- Eiseres heeft bij brief van 18 september 2020 gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. De zienswijze heeft niet geleid tot een gewijzigd besluit.
Ter zitting heeft verweerder desgevraagd bevestigd dat er niet voor gekozen is om de aanvraag niet in behandeling te nemen wegens het verstrekken van onvoldoende gegevens, maar om de gevraagde vergunning te weigeren, omdat het ernaar uitziet dat sprake is van een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiedatum van de Natura 2000-gebieden.
Eiseres brengt verder naar voren dat in het ontwerpbesluit om informatie wordt gevraagd die aanzienlijk verder gaat dan de gevraagde informatie in de brief van 6 januari 2020. Eiseres is van mening dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om de aanvraag aan te vullen.
6 januari 2020 aan eiseres is verzocht om onder meer een AERIUS-verschilberekening van de referentiesituatie en de beoogde situatie te overleggen evenals een kopie van de milieuvergunning en bijbehorende plattegrondtekening geldend op de referentiesituatie waarvoor een AERIUS-verschilberekening wordt gevraagd, afschriften van de na de referentiedata verleende omgevingsvergunning(en)/melding(en) en een plattegrondtekening van de beoogde situatie. Ook blijkt uit bijlage 3 dat in dit geval moet worden bezien of de beoogde situatie ook invloed heeft op een vogelrichtlijngebied.
In een e-mail van een ambtenaar van de Omgevingsdienst Brabant Noord van 29 april 2020 gericht aan een medewerker van Drieweg Advies is aangegeven dat bekeken moet worden met welke referentiedata de inrichting te maken heeft (vogel- en habitatrichtlijngebieden). Verder is opgemerkt dat het project wel is gewijzigd na de referentiedatum van
7 december 2004 (geldend voor het habitatrichtlijngebied Kempenland-West) door het indienen van een melding op grond van het Besluit landbouw milieubeheer op
21 augustus 2007. Op grond hiervan concludeert de ambtenaar van de Omgevingsdienst dat het niet gaat om het vastleggen van een situatie die al bestond op 7 december 2004, waarbij hij aangeeft dat hij niet beschikt over de vergunningstukken, zodat hij dit niet met volledige zekerheid kan beoordelen. Verder stelt de ambtenaar dat ook in het controleverslag van 19 november 2018 veranderingen ten opzichte van de vergunde situatie zijn vastgesteld.
Vervolgens is in het ontwerpbesluit van 11 augustus 2020 aangegeven dat onder andere de hiervoor genoemde gegevens ontbreken. Vast staat dat deze bij de zienswijze niet alsnog zijn overgelegd.
21 mei 2021 een overeenkomst met een saldogever is gesloten over de aankoop van NH3, ruim nadat het bestreden besluit is genomen. Ook zou er een nieuwe Wnb-aanvraag zijn ingediend. De gemachtigde van de Omgevingsdienst Brabant Noord heeft ter zitting gesteld ook hiervan niet op de hoogte te zijn. Eiseres heeft ook geen stukken aan de rechtbank doen toekomen waaruit blijkt dat een nieuwe aanvraag is gedaan.
In de aanvraag Wnb-vergunning staat bij het kopje ‘voorwaarden en verplichtingen’ dat aanvrager verklaart dat hij/zij ermee bekend is dat bij wijziging in de omstandigheden die van belang zijn bij de beoordeling van de vergunningaanvraag, hij/zij dit zo spoedig mogelijk dient door te geven aan de Omgevingsdienst Brabant Noord, onder vermelding van het kenmerk waaronder de aanvraag in behandeling is en alle gewenste inlichtingen met betrekking tot de voor de beoordeling en controle benodigde gegevens terstond en naar waarheid zal verstrekken aan de met behandeling en controle van de aanvraag en vergunning belaste ambtenaren. Ook uit het ontwerpbesluit volgt dat de Omgevingsdienst Brabant Noord belast is met de afdoening van Wnb-aanvragen en derhalve moet worden geïnformeerd. Het had daarom op de weg van eiseres gelegen om de Omgevingsdienst Brabant Noord te informeren over het gesprek en de mogelijk hieruit voortvloeiende ontwikkelingen en te verzoeken om nog geen definitief besluit op de Wnb-aanvraag te nemen. Nu eiseres dit heeft nagelaten, kan niet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het fair play beginsel is genomen.