Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 juli 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
Eiser ontving van verweerder sinds 1 juli 2019 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande op het adres [adres] , waar hij een kamer huurde van mevrouw [naam] . Verweerder heeft de uitkering bij besluit van 14 juli 2017 beëindigd met ingang van 13 juni 2017 omdat eiser per 12 juni 2017 gedetineerd is.
Mevrouw [naam] betaalde eigenlijk alles voor eiser: gas, water licht en eten voor hen beide, hetgeen voortvloeit uit de huurovereenkomst waarin staat vermeld dat de vergoeding/huur inclusief elektra en warmte is. Uit de verklaringen van mevrouw [naam] en haar zoon kan volgens eiser niet worden opgemaakt dat is voldaan aan het criterium wederzijdse zorg. Uit niets blijkt dat eiser en mevrouw [naam] blijk hebben gegeven voor elkaar te willen zorgdragen door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De enige conclusie die wellicht kan worden getrokken is dat er sprake was van eenrichtingsverkeer van [naam] richting eiser en dat eiser al die jaren geenszins een (financieel) steentje heeft bijgedragen. Er is in het geheel geen sprake geweest van financiële verwevenheid: uitsluitend de woonlasten – en daarmee samenhangende lasten – werden uit hoofde van een zakelijke relatie gedeeld. Nu er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding heeft eiser ook zijn inlichtingenplicht niet geschonden. Indien niettemin moet worden aangenomen dat sprake is geweest van wederzijdse zorg dan is dit slechts geweest vanaf aanvang van de huurovereenkomst (op 1 juli 2009) tot 2010. Eiser betwist overigens dat hij mevrouw [naam] (met geweld) heeft gedwongen tot afgifte van al haar bankpassen en codes. Hij had geen beschikking over (haar) financiële middelen; eiser voldeed zijn vaste lasten uit de uitkering die hij kreeg van de gemeente.
Eiser wijst er verder op dat verweerder eerder onderzoek heeft gedaan in 2009, 2011 en 2012 en dat er al die keren geen fraude werd vastgesteld. Verweerder kan niet nu stellen dat de eerder door hem verstrekte informatie onjuiste is geweest enkel en alleen op basis van de verklaringen van mevrouw [naam] en haar zoon.
Over de terugvordering voert eiser aan dat er dringende redenen bestaan om af te zien van terugvordering, omdat hij letterlijk en figuurlijk levenslang heeft als daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan.
Aanvullend onderzoek
- De verklaringen, waarvan een opsomming is opgenomen in het rapport bijzonder onderzoek van 27 februari 2019, alsmede het rapport van 5 juni 2020 geven een consistent beeld van de leefsituatie van het “gezin”, bestaande uit eiser, mevrouw [naam] en afwisselend hun zonen. Men gaat als gezin met elkaar om, zo is het iedereen toegestaan gebruik te maken van de diverse auto’s die onder het appartementencomplex geparkeerd werden;
- Zowel eiser als mevrouw [naam] hebben in verklaringen tegenover de politie erkend dat al ruim 10 jaar sprake was van een relatie tussen hen. Getuigen onderschrijven dit in hun verklaringen;
- Aankoop/inruil van kostbare auto’s door eiser, waarbij ook gebruik is gemaakt van de bankrekening van mevrouw [naam] . De factuur van de aankoop van de Aston Martin V8 (met kenteken [nummer] staat op naam van eiser. Deze auto is betaald door inruil van twee auto’s (Fiat 500 1.4 Abarth met kenteken [nummer] en een Porsche 911 3.8 Carrera met kenteken [nummer] ), alsmede twee overboekingen van de bankrekening van mevrouw [naam] .
- Eiser heeft verklaard dat hij mevrouw [naam] heeft geholpen met het opzetten van haar bedrijf. Hij heeft de boekhouding gedaan en op een later moment een boekhouder geregeld.
- Eiser heeft op 7 februari 2019 verklaard dat hij alle jaren ondersteunend is geweest aan mevrouw [naam] .
- In 2016 is een testament opgesteld, waarin het volgende is opgenomen: mevrouw legateert aan haar partner, de heer [eiser] (eiser) het zakelijk recht van gebruik en bewoning van de woning welke aan haar in eigendom toebehoort (appartement aan [adres] ) en de daarbij behorende parkeerplaats en met inbegrip van eventuele bedrijfsruimte in dat appartement.
- Eiser heeft gebruik gemaakt van de bankrekeningen van mevrouw [naam] . Hij had de beschikking over de (enige) passen van diverse rekeningen (gebleken is dat de tan-codes om gebruik te kunnen maken van de rekeningen zich bevonden op zijn in beslag genomen telefoon).
- Mevrouw [naam] heeft eiser in de in geschil zijnde periode gebruik laten maken van haar in eigendom toebehorende woning. Eiser heeft op 23 oktober 2017 verklaard dat hij sinds 2009 bij haar op de [adres] (appartement eigendom van haar) woont. Zij huurde een ander appartement met nummer [nummer] , zodat de zoon van eiser daar kon gaan wonen. Mevrouw [naam] stond ingeschreven op nummer [nummer] , maar woonde feitelijk op nummer [nummer] samen met eiser. Dit wordt ook bevestigd in de verklaring van de zoon van eiser.
- Mevrouw [naam] verzorgde de was en strijk. Eiser heeft een poetshulp ingeschakeld voor het schoonhouden van het hele appartement;
- Eiser heeft in het begin van de relatie taken in het huishouden verricht, zoals koken, stofzuigen, vaatwasser leegmaken en boodschappen.
- Eiser en mevrouw [naam] hebben de zorg over de honden (die haar toebehoorden) beiden gedragen. Eiser betaalde het eten voor de honden en ging met de honden naar de dierenarts.
- Eiser en mevrouw [naam] hebben samen een jongen opgevangen in het appartement.
- Bij aanvang van de uitkering waren er al twijfels omtrent de woon-leefsituatie. Aanvankelijk is de uitkering afgewezen, maar later alsnog toegekend.
- In februari 2020 is nogmaals een verklaring opgenomen van mevrouw [naam] . Inmiddels is duidelijk dat eiser via een civiele procedure een zaak heeft aangespannen tegen mevrouw [naam] over het eigendom van diverse goederen. In het tussenvonnis van 24 april 2019 en het vonnis van 20 november 2019 staat vermeld dat beide partijen vanaf augustus 2008 een affectieve relatie hebben gehad die op 12 juni 2017 is geëindigd en dat beide partijen hebben samengewoond in de woning van mevrouw [naam] . Uit de vonnissen blijkt dat eiser goederen stelt te hebben of te hebben gehad met een waarde van ongeveer € 40.000,00.
- Eiser heeft toestemming gegeven voor bezoek van de politie in ‘zijn’ woning aan de [adres] en daarbij behorende percelen en/of ruimtes.
- Er is een constructie bedacht om de eigendom van het appartement aan de [adres] op naam van de zoon van eiser te krijgen, hetgeen mede ingegeven zou zijn om de hypotheekkosten te verlagen. Op het laatste moment is dit niet doorgegaan.
De commissie concludeert dat van wederzijdse zorg sprake was. Daarbij wijst de commissie op de door verweerder benoemde omstandigheden die, in samenhang bezien, duiden op een verbondenheid die de grenzen van een zakelijke relatie overschrijden. Daarbij merkt de commissie op dat er ook sprake was van financiële verstrengeling, wat blijkt uit het gegeven dat eiser auto’s heeft gekocht met geld van [naam] , dat het recht gebruik en bewoning van de woning van [naam] aan hem gelegateerd was en dat hij na verbreking van de relatie nog goederen opeist ter waarde van € 40.000,00.
De commissie overweegt verder dat, gezien de nu bekend geworden feiten en omstandigheden, de door eiser eerder verstrekte informatie over de woonsituatie (in 2009, 2011 en 2012) niet juist was. Als bij eerder onderzoek geen aanwijzingen zijn gevonden voor het voeren van een gezamenlijke huishouding, maar uit later onderzoek blijkt dat ook toen al sprake was van een gezamenlijke huishouding, is verweerder naar de mening van de commissie verplicht tot intrekking en terugvordering.
Gronden van beroep
Volgens eiser vormen de verklaringen, waarvan een opsomming is opgenomen in het rapport van 27 februari 2019 en het rapport van 5 juni 2020 en die een consistent beeld van de leefsituatie van het “gezin” zouden geven, onvoldoende grondslag voor het standpunt van verweerder dat sprake is van wederzijdse zorg. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom toch van de verklaringen van [naam] wordt uitgegaan. Verweerder mag die verklaringen niet aan de besluitvorming ten grondslag leggen, omdat de getuigen ten aanzien van de relatie van eiser met mevrouw [naam] niet samenhangend hebben verklaard. Uit de verklaringen is op te maken dat mevrouw [naam] een hele andere kijk had op de relatie met eiser dan haar zoon en de zoon van eiser. Uit verklaringen van getuigen blijkt dat allesbehalve sprake was van het perfecte plaatje van een gezin. Eiser verleende geen zorg van enige omvang en gewicht aan mevrouw [naam] . Dat eiser in het begin van de relatie heeft meegeholpen in de huishouding en boodschappen deed, is daarvoor ontoereikend.
Eiser voert verder aan dat de aankoop van de Landrover Defender een transactie is geweest tussen mevrouw [naam] en zijn zoon. Eiser heeft slechts bemiddeld tussen mevrouw [naam] en zijn zoon; een puur zakelijke aangelegenheid. Eiser heeft wel incidenteel mevrouw [naam] zakelijke ondersteuning geboden maar gelet op het incidentele karakter kan in dit geval niet gesproken worden van wederzijdse zorg.
Voor wat betreft de terugvordering blijft eiser bij zijn standpunt dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien omdat hij levenslang heeft als daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan.