Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2021:3744

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
28 mei 2021
Publicatiedatum
15 juli 2021
Zaaknummer
21-003701
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet DNAArt. 7 Wet DNA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen DNA-profielbepaling bij feitelijk leidinggeven economische delicten ongegrond verklaard

De veroordeelde, veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan diverse economische delicten, maakte bezwaar tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel op grond van artikel 7 Wet Pro DNA-onderzoek bij veroordeelden. Hij stelde dat op grond van artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA een uitzondering van toepassing zou zijn, omdat het DNA-onderzoek niet van betekenis zou zijn voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten.

De rechtbank Oost-Brabant behandelde het bezwaar in besloten raadkamer en hoorde de gemachtigde advocaat en de officier van justitie. De veroordeelde was niet aanwezig ondanks oproeping. De rechtbank oordeelde dat het bezwaar tijdig en ontvankelijk was en dat de Wet DNA primair gericht is op het efficiënt opsporen van strafbare feiten en het voorkomen van nieuwe delicten.

De rechtbank stelde vast dat DNA-onderzoek in deze zaak wel degelijk van betekenis kan zijn, bijvoorbeeld doordat DNA-sporen kunnen worden aangetroffen op elektronische apparaten die bij de economische delicten zijn gebruikt. Er waren geen bijzondere omstandigheden in de persoon van de veroordeelde die tot een ander oordeel zouden leiden.

Daarom verklaarde de rechtbank het bezwaar ongegrond en bevestigde dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde rechtmatig is.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
raadkamernummer : 21-003701
datum : 28 mei 2021
beslissing van de enkelvoudige raadkamer enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet Pro DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1963 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. M. Coenen, advocaat te [adres] ,
hierna te noemen: de veroordeelde.

Procedure

Het bezwaarschrift is op 12 maart 2021 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 28 mei 2021 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van de veroordeelde, mr. L.W.A. Gruijthuijzen, waarnemend voor mr. M. Coenen (middels een telefonische verbinding) en de officier van justitie op zitting gehoord.
De veroordeelde is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

Bezwaar

Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde.
De veroordeelde stelt dat sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA, nu redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt dat zich geen uitzondering voordoet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA.

Beoordeling

Bij vonnis van 10 november 2020 is de veroordeelde door de meervoudige economische strafkamer in deze rechtbank veroordeeld ter zake van -zakelijk weergegeven- feitelijk leidinggeven aan overtreding van de Flora-en Faunawet, de Algemene Douanewet en de Wet natuurbescherming.
De rechtbank is bevoegd.
Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. De veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen.
De Wet DNA strekt ertoe gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen, alsmede de veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Een van de uitzonderingen is, dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden, waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf 'aard van het misdrijf' op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing vervolging en berechting van strafbare feiten.
In het onderhavige geval is de veroordeelde veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan het plegen van diverse economische delicten.
Het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde zal wel van betekenis kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde, omdat DNA-sporen afgenomen kunnen worden van bijvoorbeeld de elektronische apparaten waarmee de feiten gepleegd kunnen worden. De rechter ziet in de persoon van veroordeelde ook geen bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.
Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van een uitzonderingssituatie en dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.S. Wobbes, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2021.