ECLI:NL:RBOBR:2021:1492
Rechtbank Oost-Brabant
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in mentorschapszaak
Verzoeker heeft bij de rechtbank een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die zijn zaak behandelde over de benoeming tot mentor van zijn broer. Verzoeker stelde dat de rechter partijdig was omdat hij de voorkeur gaf aan een professionele mentor en verzoeker onvoldoende gelegenheid gaf om zijn standpunt toe te lichten.
De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld en vastgesteld dat een rechter slechts gewraakt kan worden bij objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid. De rechter heeft betwist dat hij een voorkeur voor de professionele mentor uitsprak en dat verzoeker onvoldoende aan het woord kwam. Uit de zittingsaantekeningen en verklaringen bleek dat verzoeker en zijn broer voldoende gelegenheid hadden gekregen om hun standpunten te presenteren.
De wrakingskamer concludeert dat een voorlopig oordeel van de rechter geen grond voor wraking vormt, tenzij dit zo onbegrijpelijk is dat het wijst op vooringenomenheid, wat hier niet het geval is. Ook is het aan de rechter om de regie over de zitting te voeren, inclusief het stellen van vragen en het bewaken van de orde. Het wrakingsverzoek wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.