ECLI:NL:RBOBR:2020:6482
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen inhouding op Participatiewet-uitkering wegens openstaande schuld afgewezen
Eiseres had een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangen, waarop verweerder een maandelijkse inhouding van €62 toepaste vanwege een openstaande schuld van €14.507,26. Deze schuld was ontstaan na een eerdere intrekking en terugvordering van bijstand, omdat eiseres volgens verweerder onjuiste informatie had verstrekt over het voeren van een gezamenlijke huishouding met haar ex-echtgenoot.
Eiseres betwistte de inhouding en stelde dat zij gescheiden leefde en geen gezamenlijke huishouding voerde, waardoor volgens haar geen schuld bestond. Verweerder handhaafde het standpunt dat de schuld terecht was vastgesteld en dat de inhouding daarom rechtmatig was.
De rechtbank oordeelde dat de gronden tegen de intrekking en terugvordering, die ook relevant waren voor de inhouding, niet slaagden. Omdat eiseres geen afzonderlijke gronden tegen de inhouding had aangevoerd en de inhouding gebaseerd was op een gegronde schuld, verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen de inhouding van €62 per maand op de uitkering wegens een openstaande schuld wordt ongegrond verklaard.