Eiser, lid van een vereniging die zich bezighoudt met re-enactment van WO II, heeft een ontheffing voor het bezit en gebruik van wapens. Hij vroeg uitbreiding van deze ontheffing voor een machinegeweer met kaliber .46, dat door een wapenhersteller is vervaardigd en dat lijkt op een Browning machinegeweer kaliber .50.
De minister wees de aanvraag af omdat het wapen naar zijn oordeel een getransformeerd wapen is dat niet als gedemilitariseerd is aangetoond, zoals vereist volgens de Circulaire wapens en munitie 2018 (Cwm 2018). Eiser stelde dat het wapen nieuw is geconstrueerd uit hergebruikte onderdelen en dat de regelgeving niet van toepassing is.
De rechtbank oordeelt dat het wapen met kaliber .46 niet valt onder de categorie zware wapens (kaliber .50 of groter) waarvoor demilitarisatie verplicht is. Het besluit van de minister is daarom gebaseerd op een onjuiste feitelijke en juridische grondslag en mist een deugdelijke motivering.
De rechtbank vernietigt het besluit en draagt de minister op het bezwaar opnieuw te beoordelen met inachtneming van deze uitspraak. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser.
De rechtbank gaat niet in op het subsidiaire beroep op het gelijkheidsbeginsel en wijst het latere standpunt van de minister op het ontbreken van een redelijk belang af wegens tardiviteit.