ECLI:NL:RBOBR:2020:580

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
3 februari 2020
Publicatiedatum
4 februari 2020
Zaaknummer
C/01/351498 / FA RK 19-4916
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • E.M.H. Myjer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet Bopz
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voortgezet verblijf psychiatrisch ziekenhuis wegens onvoldoende bewijs stoornis en gevaar

De rechtbank Oost-Brabant behandelde op 3 februari 2020 een verzoek tot machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. De officier van justitie had dit verzoek ingediend, maar de rechtbank had eerder een second opinion gelast om vast te stellen of betrokkene aan een geestesstoornis lijdt die gevaar veroorzaakt. Deze second opinion werd niet tijdig aangeleverd vanwege organisatorische problemen.

De raadsman van betrokkene verzocht vervolgens om afwijzing van het verlengingsverzoek, omdat de noodzakelijke onderbouwing van de stoornis ontbrak. Tijdens de mondelinge behandeling gaf de behandelend arts aan dat er onvoldoende zekerheid was over de aard van de stoornis en dat het gevaar niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld. Er was sprake van mogelijke vasculaire dementie, maar dit was niet definitief vastgesteld.

De rechtbank concludeerde dat niet was voldaan aan het wettelijke vereiste dat betrokkene lijdt aan een geestesstoornis die gevaar veroorzaakt. Ook was onvoldoende aangetoond dat een gedwongen kader noodzakelijk is om dat gevaar af te wenden. Daarom wees de rechtbank het verzoek tot verlenging van de machtiging af.

Uitkomst: Verzoek tot verlenging machtiging voortgezet verblijf in psychiatrisch ziekenhuis wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van gevaarlijke geestesstoornis.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer : C/01/351498 / FA RK 19-4916
Uitspraak : 3 februari 2020
Beschikking betreffende een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis van:

[Betrokkene] ,hierna mede te noemen: de betrokkene,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
verblijvende te: [naam en adres psychiatrisch ziekenhuis] ,
raadsman: mr. J.J.M. Cliteur.

De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:
  • een verzoek van de officier van justitie te 's-Hertogenbosch van 15 oktober 2019, ter griffie ingekomen op 16 oktober 2019;
  • een op 10 oktober 2019 ondertekende en met redenen omklede geneeskundige verklaring van de geneesheer-directeur van bovengenoemd psychiatrisch ziekenhuis;
  • een behandelingsplan d.d. 10 oktober 2019 en de voortgangsrapportage, waaronder de medische aantekeningen;
  • een schrijven van mr. J.J.M. Cliteur, ter griffie ingekomen op 27 januari 2020;
  • een e-mail met bijlage van de mentor van betrokkene d.d. 28 januari 2020.
De officier van justitie verzoekt een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis.
Bij tussenbeschikking van 23 december 2019 heeft de rechtbank een second opinion door een psychiatrisch deskundige gelast ten aanzien van de vraag of betrokkene aan een geestesstoornis lijdt en zo ja aan welke stoornis(sen), en welke van die (stoornis)sen tot een gevaar leidt in de zin van de Wet Bopz. De deskundige diende uiterlijk 31 januari 2020 de rechtbank te berichten hieromtrent. Deze datum is niet gehaald. Aanvankelijk doordat de rechtbank er pas na veel moeite in slaagde een psychiater te vinden die in de gelegenheid was de second opinion te doen; vervolgens doordat de uiteindelijk gecontacteerde psychiater zijn werk een aantal weken moest neerleggen.
Bij brief van 24 januari 2020, ter griffie ingekomen op 27 januari 2020 heeft
mr. J.J.M. Cliteur verzocht om afwijzing van het verzoek tot het verlengen van de machtiging. De raadsman van betrokkene legt hieraan ten grondslag dat de second opinion nog altijd niet is afgegeven en er geen zicht is op het moment wanneer dat wel het geval zal zijn. De voor het toewijzen van het verzoek van de officier van justitie noodzakelijke stoornis van de geestvermogens van betrokkene kan derhalve door het ziekenhuis niet op adequate wijze worden onderbouwd, stelde de raadsman.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 3 februari 2020, in [naam en adres psychiatrisch ziekenhuis] .
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- betrokkene [Betrokkene] in tegenwoordigheid van haar raadsman mr. J.J.M. Cliteur;
- de mentor [naam] ;
- EVV’er [naam] ;
- arts [naam] .
Van het verhandelde is proces-verbaal opgemaakt.

De beoordeling

De behandelaar gaf aan dat dit verpleeghuis het nadere psychologisch onderzoek had uitgesteld in afwachting van de second opinion. De observatie van de afgelopen maanden had nog niet tot meer zekerheid geleid over de stoornis die het gevaar veroorzaakte en de arts gaf aan dat de gesignaleerde oordeels- en kritiekstoornissen en het initiatiefverlies zouden, maar niet met zekerheid, kunnen wijzen op (vasculaire) dementie. Tevens is onvoldoende komen vast te staan dat een gedwongen kader noodzakelijk is om he gevaar af te wenden.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zittingen is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat betrokkene nog immer lijdt aan een stoornis van haar geestvermogens die gevaar zal (doen) veroorzaken. Nu niet aan dit wettelijke vereiste is voldaan, zal het verzoek worden afgewezen.

De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M.H. Myjer, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 3 februari 2020.
Conc: SvdB

Voor afschrift afgegeven aan:

 bestuur van: [psychiatrisch ziekenhuis]
 de Inspectie gezondheidszorg
 officier van justitie
 betrokkene
 raadsman