Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Ryanair DAC,
Rechtbank Oost-Brabant
Eiseres had een vlucht geboekt van Eindhoven naar Londen-Stansted op 11 maart 2018, die volgens haar geannuleerd was en waarvoor zij compensatie van €250,- vorderde op grond van Verordening 261/2004. Verweerster Ryanair stelde dat de vlucht niet geannuleerd was maar met vertraging uitgevoerd, veroorzaakt door slecht weer in Londen-Stansted en een besluit van de luchtverkeersleiding op Eindhoven Airport.
De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd was en dat de vlucht op 12 maart 2018 alsnog was uitgevoerd, waardoor het geschil ging over een vertraging van meer dan drie uur. Verweerster toonde met een weerrapport aan dat het vertrek van de heenvlucht uit Londen-Stansted werd verhinderd door slechte weersomstandigheden, en dat het vervangende toestel op Eindhoven Airport geen toestemming kreeg om te vertrekken vanwege een verlate inkomende vlucht.
De rechtbank stelde vast dat deze omstandigheden niet aan Ryanair konden worden toegerekend en kwalificeerden als buitengewone omstandigheden volgens artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening. Daarom werd de vordering van eiseres afgewezen. Eiseres werd veroordeeld in de proceskosten, inclusief wettelijke rente en nakosten, conform de wettelijke bepalingen.
Uitkomst: De vordering tot compensatie wegens vertraging van vlucht FR9274 wordt afgewezen vanwege buitengewone omstandigheden.