De rechtbank Oost-Brabant behandelde op 2 november 2020 het verzoek van de officier van justitie tot wijziging van een zorgmachtiging voor betrokkene, waarbij uitbreiding van verplichte zorg met insluiting werd gevraagd.
De zorgmachtiging was oorspronkelijk afgegeven op 30 september 2020 en betrof verplichte zorg vanwege een psychotische decompensatie. De zorgverantwoordelijke verzocht om voortzetting van tijdelijke verplichte zorg in de vorm van insluiting in een separeerverblijf, telkens voor maximaal een maand, tot 30 maart 2021. Dit was noodzakelijk vanwege dreigend en verbaal agressief gedrag van betrokkene, waardoor de veiligheid van personeel en cliënten niet gegarandeerd kon worden.
De advocaat van betrokkene voerde aan dat de OvJ niet ontvankelijk verklaard moest worden omdat het verzoek pas drie dagen na de aanvraag van de zorgverantwoordelijke was ingediend en dat de insluiting niet langer nodig was. Ook werd bezwaar gemaakt tegen de toevoeging van vrijheidsbeperkingen die niet in het verzoek van de OvJ stonden.
De rechtbank oordeelde dat de OvJ ontvankelijk was omdat de wet geen termijn stelt en het verzoek tijdig was ingediend. De rechtbank wees het verzoek tot vrijheidsbeperkingen af omdat dit niet in het OvJ-verzoek stond. De insluiting werd geacht noodzakelijk en proportioneel om de veiligheid te waarborgen en het toestandsbeeld te stabiliseren. De zorgmachtiging werd daarom gewijzigd om insluiting voort te zetten tot 30 maart 2021, telkens voor maximaal een maand.
Deze beslissing is genomen met inachtneming van de criteria en doelen van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en met aandacht voor de bevordering van maatschappelijke deelname en veiligheid.