Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.De procedure
- de dagvaarding, door de rechtbank ontvangen op 29 juni 2020
- de incidentele conclusie tot verwijzing althans aanhouding van 19 augustus 2020
- de incidentele conclusie van antwoord van 2 september 2020.
Rechtbank Oost-Brabant
In deze civiele procedure staat de beëindiging van een distributieovereenkomst tussen Schoenfabriek Van Bommel en Van Bommel Eindhoven centraal. Schoenfabriek Van Bommel had de handelsrelatie opgezegd wegens vermeend misbruik van merken en handelsnaam door Van Bommel Eindhoven, wat tot verwarring bij consumenten zou leiden. Van Bommel Eindhoven had op haar beurt een procedure gestart bij een andere rechtbank met vergelijkbare vorderingen, inclusief een merkenkwestie tegen een zusteronderneming.
Van Bommel Eindhoven verzocht de rechtbank Oost-Brabant om de zaak te verwijzen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant waar een soortgelijke zaak aanhangig was, om zo dubbele procedures en tegenstrijdige beslissingen te voorkomen. Schoenfabriek Van Bommel verzette zich tegen verwijzing, stellende dat de zaak eerst aan haar rechtbank was toebedeeld en dat de vordering tegen de zusteronderneming geen overlap vertoonde.
De rechtbank oordeelde dat beide zaken vrijwel gelijktijdig waren ingeschreven en inhoudelijk sterk samenhangen, ook gezien de betrokkenheid van de zusteronderneming in de andere procedure. Het doel van artikel 220 Rv Pro om efficiëntie en rechtszekerheid te bevorderen, werd gediend door de zaken te verwijzen en te voegen. De dagvaardingdatum was niet doorslaggevend. Schoenfabriek Van Bommel werd veroordeeld in de proceskosten van het incident.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot verwijzing toe en voegt de zaak samen met de procedure bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant.