ECLI:NL:RBOBR:2020:4089

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
26 augustus 2020
Publicatiedatum
24 augustus 2020
Zaaknummer
C/01/359294 / HA ZA 20-379
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 843a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening inzake informatieverstrekking in nalatenschapszaak tussen erfgenamen

In deze civiele procedure tussen broer en zus, beiden erfgenamen van hun overleden moeder, vordert eiser in een incident voorlopige voorzieningen om diverse financiële en administratieve documenten met betrekking tot de nalatenschap van hun moeder te verkrijgen. De hoofdzaak betreft de algehele verdeling van de nalatenschap.

De rechtbank overweegt dat een voorlopige voorziening alleen kan worden toegewezen indien deze voldoende samenhang vertoont met de hoofdvordering of een conservatoire maatregel betreft. De gevorderde informatieverstrekking betreft echter een definitieve maatregel en staat niet in voldoende verband met de hoofdzaak. Eiser heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de gevorderde stukken essentieel zijn voor de verdeling van de nalatenschap.

Ook een veroordeling op grond van artikel 843a Rv wordt afgewezen wegens gebrek aan belang. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt. De zaak wordt op 9 september 2020 voortgezet voor beraad over een mondelinge behandeling.

Uitkomst: De rechtbank wijst de incidentele vordering tot voorlopige voorziening af wegens gebrek aan samenhang met de hoofdzaak en onvoldoende belang.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rolnummer: C/01/359294 / HA ZA 20-379
Vonnis in incident van 26 augustus 2020
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eiser in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat mr. P.J.L. Tacx te Someren,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. D.E.M.P.J. Reijnart te Weert.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening
  • de incidentele conclusie van antwoord
  • de conclusie van antwoord in de hoofdzaak.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
[eiser] en [gedaagde] zijn broer en zus. Ze zijn erfgenamen van hun vader (overleden in 2008 met een zgn. langstlevende testament) en hun moeder (overleden in 2018). Partijen zijn het erover eens dat de nalatenschap van hun moeder bestond uit:
1) de ouderlijke woning;
2) de inboedel;
3) bankrekeningen;
4) sierraden en een muntenverzameling;
5) contant geld van € 176,;
6) de vorderingen van [eiser] en [gedaagde] met betrekking tot hun erfdelen in de nalatenschap van vader;
7) de begrafeniskosten van moeder.
2.2.
In de hoofdzaak vordert [eiser] samengevat - de algehele verdeling van de nalatenschap van hun moeder, primair zoals door de rechtbank vast te stellen en subsidiair ten overstaan van een notaris. [gedaagde] voert in de hoofdzaak onder meer als verweer dat alle bestanddelen van de nalatenschap van moeder al zijn verdeeld, behalve de sierraden en muntenverzameling.
2.3.
In dit incident vordert [eiser] bij wijze van provisionele vordering - samengevat -
A. dat [gedaagde] wordt veroordeeld om aan [eiser] de volgende informatie en/of bescheiden te verschaffen:
1) de aanslag en aangifte erfbelasting zoals door [gedaagde] ingediend;
2) de aanslag en aangifte inkomstenbelasting 2018 van moeder;
3) de overzichten van alle transacties van alle bankrekeningen van moeder over de periode vanaf 2017 tot het overlijden van moeder op 18 oktober 2018;
4) alle onderliggende documenten behorende bij het door [gedaagde] aan [eiser] verschafte financieel overzicht;
5) een verklaring en bescheiden met betrekking tot de inboedel en een lijst van alle inboedelzaken van moeder (o.a. wat ermee is gebeurd en waar bevonden die zich).
B. Voor het geval dat [gedaagde] stelt dat zij niet beschikt over bankafschriften, vordert [eiser] dat [gedaagde] hem machtigt om die bankbescheiden bij de banken op te vragen.
2.4.
[gedaagde] voert verweer tegen deze incidentele vorderingen.
2.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
2.6.
Toewijzing van een vordering tot een voorlopige voorziening voor de duur van het geding zoals bedoeld in artikel 223 Rv Pro is alleen mogelijk wanneer die voorziening voldoende samenhang vertoont met de hoofdvordering, bijvoorbeeld doordat zij een onderdeel van de hoofdvordering als inhoud heeft, of gericht is op een conservatoire maatregel die met de hoofdvordering in verband staat. Het gaat daarbij om een ordemaatregel (zoals bijvoorbeeld betaling van een voorschot, exhibitie) die getroffen wordt in afwachting van en eventueel vooruitlopend op een definitieve beslissing van de hoofdzaak.
2.7.
De rechtbank constateert dat de incidentele vorderingen van [eiser] geen voorlopige voorziening voor de duur van het geding betreffen maar een definitieve maatregel, waarvoor de regeling van artikel 223 Rv Pro niet is bedoeld. Bovendien is niet gebleken van voldoende samenhang tussen de incidentele vorderingen en de vorderingen in de hoofdzaak. Overlegging van stukken is geen onderdeel van de vorderingen in de hoofdzaak. Dat is evenmin een conservatoire maatregel die in verband staat met die vorderingen in de hoofdzaak. [eiser] heeft niet duidelijk gemaakt waarom er op andere wijze voldoende samenhang zou bestaan. Hij heeft alleen toegelicht dat hij met de door hem gevorderde stukken volledig inzicht in de nalatenschap van moeder wil verkrijgen. Hij heeft echter niet toegelicht waarom de onder 1, 2 en 3 genoemde stukken van belang zijn voor de verdeling van de nalatenschap van moeder. [eiser] stelt alleen dat [gedaagde] tijdens de laatste jaren van het leven van moeder haar administratie bijhield (wat [gedaagde] betwist), maar hij stelt niet dat [gedaagde] beheerder was, laat staan dat hij in de hoofdzaak vordert dat [gedaagde] rekening en verantwoording aflegt. Bij de afgifte van de onder 4 en 5 genoemde stukken heeft [eiser] geen belang, omdat [gedaagde] aangeeft dat zij al alle stukken aan [eiser] heeft verschaft waarover zij beschikt. In de hoofdzaak zal moeten worden onderzocht of met die stukken voldoende informatie is verschaft. De incidentele vorderingen van [eiser] zijn daarom niet toewijsbaar.
2.8.
De rechtbank overweegt ambtshalve dat [gedaagde] evenmin op de voet van artikel 843a Rv kan worden veroordeeld om de door [eiser] gewenste stukken te verschaffen, onder meer omdat [eiser] onvoldoende heeft toegelicht welk belang hij bij afgifte van die stukken heeft.
2.9.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
wijst het gevorderde af,
3.2.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
3.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
9 september 2020voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Schollen-den Besten en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2020.