ECLI:NL:RBOBR:2020:2547

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
28 april 2020
Publicatiedatum
8 mei 2020
Zaaknummer
C/01/357829 / FA RK 20-1807
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 Wet zorg en dwang
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging voortzetting inbewaringstelling wegens Alzheimer en COVID-19

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 28 april 2020 een machtiging verleend tot voortzetting van de inbewaringstelling van een cliënt die lijdt aan de ziekte van Alzheimer en positief is getest op COVID-19. De cliënt verblijft op een COVID-afdeling van een verpleegtehuis omdat zij geen rekening houdt met de geldende maatregelen vanwege gebrek aan ziektebesef en inzicht.

Het verzoek tot machtiging was ingediend door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) en de behandeling vond telefonisch plaats vanwege de coronamaatregelen. De cliënt werd niet gehoord omdat dit haar gezondheid zou schaden, wat werd bevestigd door de specialist ouderengeneeskunde en haar advocaat.

De burgemeester had eerder een last tot inbewaringstelling afgegeven wegens onmiddellijk dreigend ernstig nadeel. De rechtbank stelde vast dat voortzetting noodzakelijk is om de veiligheid van anderen te waarborgen, omdat de cliënt door haar gedrag een besmettingsgevaar vormt. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven beschikbaar.

De machtiging geldt voor zes weken tot en met 9 juni 2020, met de mogelijkheid voor terugkeer naar het verzorgingstehuis zodra de cliënt niet meer besmettelijk is. De rechtbank concludeerde dat aan de wettelijke criteria voor voortzetting van de inbewaringstelling is voldaan.

Uitkomst: De rechtbank verleent de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling tot en met 9 juni 2020 vanwege onmiddellijk dreigend ernstig nadeel door Alzheimer en COVID-19.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer : C/01/357829 / FA RK 20-1807
Uitspraak : 28 april 2020

Beschikking machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling

naar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in artikel 37 van Pro de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:

[naam cliënt] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [woonplaats en adres] ,
verblijvende: [naam en adres instelling] ,
hierna te noemen: de cliënt,
advocaat: mr. M. Hulstein.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 23 april 2020.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
  • het indicatiebesluit d.d. 29 oktober 2018;
  • de beschikking van de burgemeester d.d. 22 april 2020;
  • de medische verklaring d.d. 22 april 2020;
  • een e-mailbericht van [naam] , psychiater d.d. 23 april 2020.
De behandeling van het verzoek heeft op 28 april 2020 telefonisch plaatsgevonden, omdat als gevolg van het COVID-19-virus geen mondelinge behandeling in elkaars aanwezigheid op de verblijfplaats van cliënt kan plaatsvinden. De rechtbank heeft de volgende personen gehoord:
  • de advocaat van cliënt mr. M. Hulstein;
  • de specialist ouderengeneeskunde mevrouw [naam] ;
  • de specialist ouderengeneeskunde in opleiding mevrouw [naam] ;
  • de zoon van cliënt de heer [naam] .
De rechtbank heeft op grond van het navolgende vastgesteld dat de cliënt niet in staat is gehoord te worden op het verzoek. De specialist ouderengeneeskunde en de specialist ouderengeneeskunde in opleiding hebben aangegeven dat het betrekken van cliënt bij de behandeling van dit verzoek, niet ten goede komt aan haar gezondheid. Zij is wilsonbekwaam te achten ten aanzien van het verzoek en zij zal doordat zij dingen niet begrijpt onrustig worden. Dan wordt het risico gelopen dat er rustgevende medicatie ingezet dient te worden hetgeen nu voorkomen wordt.
De advocaat van cliënt heeft ingestemd met de behandeling van het verzoek zonder dat haar cliënt daarbij wordt gehoord.

De beoordeling

Op 22 april 2020 heeft de burgemeester van de gemeente Eindhoven ten behoeve van de cliënt een last tot inbewaringstelling afgegeven.
Uit de overgelegde stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is gebleken dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel waardoor een rechterlijke machtiging niet kan worden afgewacht. Het ernstig vermoeden bestaat dat het gedrag van de cliënt als gevolg van de ziekte van Alzheimer in combinatie met het COVID-19-virus dit ernstig nadeel veroorzaakt.
Het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel is gelegen in het feit dat de algemene veiligheid van personen in gevaar is.
Cliënt is positief getest op het COVID-19-virus, maar houdt geen rekening met de COVID-19-maatregelen doordat zij geen ziektebesef en/of -inzicht heeft. Cliënt woont in een verzorgingstehuis en zij brengt daarmee anderen en voornamelijk kwetsbare oudere mensen in gevaar. Zij verblijft sinds 22 april 2020 op de Covid afdeling van het verpleegtehuis. Op die wijze kan worden voorkomen dat zij anderen besmet met het Coronavirus.
Om het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel te voorkomen dan wel af te wenden is
voortzetting van de inbewaringstelling noodzakelijk. Dit middel is ook geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen dan wel af te wenden en er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
Cliënt heeft in de zes dagen dat zij is opgenomen in de huidige accommodatie blijk gegeven van afwisselend verzet tegen de opname en het accepteren van die opname.
Nu betrokkene in verband met de gestelde diagnose wilsonbekwaam wordt geacht ten aanzien van dit verzoek, zij wisselend is in het wel en niet accepteren van de plaatsing en er in het afgelopen weekend nog sederende medicatie nodig is geweest omdat cliënt met een taxi naar huis wilde reizen, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van verzet in de zin van de WZD.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de criteria voor een voortzetting van de inbewaringstelling. De machtiging zal worden verleend voor de duur van zes weken, en geldt aldus tot en met 9 juni 2020. Ter zitting is aangegeven dat cliënt terug kan naar het verzorgingstehuis zodra zij niet meer besmettelijk is. Nu dat tijdstip nog onzeker is wordt het verzoek voor de verzochte duur toegewezen.

De beslissing

De rechtbank:
verleent een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling ten aanzien van:

[naam cliënt] ,geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ;

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 9 juni 2020.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.P. Willemse-Schwering, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2020 in aanwezigheid van de griffier.
Conc: SvdB
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.