Uitspraak
1.[eiseres 1] ,
[eiseres 2],
1.[gedaagde 1] ,
[gedaagde 2],
- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van ,
- het tussenvonnis van 9 mei en de daarin genoemde processtukken en het tussenvonnis van 1 augustus 2018 waarin een deskundige is benoemd,
- het rapport van de deskundige van 26 augustus 2019,
- de conclusie na deskundigenbericht van de zijde van de dochters van 2 oktober 2019,
- de conclusie na deskundigenbericht van de zijde van moeder van 30 oktober 2019,
- de akte uitlaten productie van de zijde van de dochters van 11 december 2019.
2.De verdere beoordeling van het geschil
- de prive woning aan de [adres] ;
- de prive woning aan de [adres] ;
- de landbouwopslagloods;
- de landbouwgronden zijnde 10.468 m²;
- zeugen + opfokstal inclusief inrichting voor 120 zeugen;
- de koeienstal inclusief inrichting;
- de woning gebruikt als opslag en jongveestalling;
- sleufsilo;
- de veestapel 120 zeugen plus opfok;
- de veestapel biggen;
- de veestapel 40 melkkoeien en jongvee;
- diverse landbouwmachines (…);
- tractoren (…);
- regeninstallatie;
- kadaverkoeling;
- 321 varkensrechten;
- 145.184 kg melkquotum.
de zakenvan de maatschap voort te zetten terwijl de moeder dan de mogelijkheid heeft het aandeel van haar overleden echtgenoot over te nemen en onder dezelfde condities als voorheen tot de nieuw op te richten maatschap toe te treden. Bovendien heeft erflater in zijn testament alle goederen, waaronder zijn aandeel in de maatschap, toegedeeld aan moeder. Moeder kon daarover dus zelfstandig beschikken zoals het haar goeddunkte, zonder gehouden te zijn de andere erfgenamen, meer in het bijzonder haar dochters, in die beslissing te betrekken. Daar komt bij dat de maatschap ook daadwerkelijk langere tijd is voortgezet door moeder en zoon. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het vorenoverwogene, moet worden uitgegaan van de waarde going-concern waarmee beide partijen tijdens de comparitie van 13 maart 2018 hebben ingestemd.
€ 3.165,00
€ 113.478,00.