Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.De procedure
- het tussenvonnis van 2 oktober 2019
- het proces-verbaal van comparitie van 4 maart 2020.
2.De feiten
3.Het geschil
- De vordering is verjaard op grond van artikel 3:307 lid 1 BW Pro. De betreffende deal is namelijk in 2006/2007 gesloten en de vordering is dus meer dan 5 jaar geleden opeisbaar geworden.
- [eiser] heeft deze vordering niet onderbouwd of toegelicht, zodat de vordering reeds daarom moet worden afgewezen.
- Er is een bedrag van € 25.000,00 betaald op de zakelijke rekening van één van zijn ondernemingen ( [naam bedrijf 3] ). Indien en voor zover [eiser] al aanspraak zou kunnen maken op een vergoeding van € 25.000,00, dan heeft [eiser] deze vordering op het - inmiddels gefailleerde - [naam bedrijf 3]
- Het gestorte bedrag betrof een bruto bedrag waarover vennootschapsbelasting (hierna genoemd “VPB”) en btw afgedragen dienden te worden. Na aftrek van die posten is er kennelijk een bedrag van € 16.500,00 overgebleven en dat bedrag is in contanten aan [eiser] (en zijn echtgenote) betaald.