Uitspraak
Vriescentrale Asten B.V.,
1.De procedure
- het tussenvonnis van 4 juli 2019 en de daarin genoemde processtukken;
- de akte overlegging producties (nrs. 2 tot en met 12) van Vriescentrale van 2 oktober 2019;
2.De feiten
3.De vordering
€ 756,07
Rechtbank Oost-Brabant
In deze zaak vordert de werknemer betaling van een overwerkvergoeding en vakantiebijslag over de periode van arbeidsongeschiktheid. De werknemer was sinds 17 februari 1997 in dienst als vrachtwagenchauffeur en ontving een bruto maandsalaris exclusief overwerkvergoeding. Na vaststelling van arbeidsongeschiktheid op 6 augustus 2018 betaalde de werkgever 70% van het basisloon, maar geen overwerkvergoeding.
De werknemer stelt dat hij recht heeft op 70% van de gemiddelde overwerkvergoeding over de twaalf maanden voorafgaand aan arbeidsongeschiktheid, en daarnaast vakantiebijslag over deze vergoeding. De werkgever betwist dit en voert aan dat overwerkvergoeding niet tot het loon tijdens ziekte behoort en dat er geen cao van toepassing is die dit voorschrijft.
De kantonrechter stelt vast dat de werknemer structureel overwerk verrichtte en dat de overwerkvergoeding gemiddeld € 647,86 bruto per maand bedroeg. Op grond van artikel 7:629 lid 8 BW Pro en artikel 7:628 lid 3 BW Pro heeft de werknemer recht op doorbetaling van het gemiddelde loon, inclusief overwerkvergoeding, tijdens arbeidsongeschiktheid. De vakantiebijslag over de overwerkvergoeding wordt echter afgewezen omdat deze pas jaarlijks wordt uitgekeerd en de vordering daarvoor te vroeg is ingediend.
De kantonrechter veroordeelt de werkgever tot betaling van 70% van de gemiddelde overwerkvergoeding vanaf oktober 2018 tot het einde van de dienstbetrekking, inclusief wettelijke rente, en wijst de overige vorderingen af. De werkgever wordt tevens veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De werknemer heeft recht op 70% van de gemiddelde overwerkvergoeding tijdens arbeidsongeschiktheid, exclusief vakantiebijslag over deze vergoeding.