ECLI:NL:RBOBR:2020:2242

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
6 maart 2020
Publicatiedatum
15 april 2020
Zaaknummer
C/01/338077 / FA RK 18-4381
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:32 BWArt. 10:17 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huwelijk minderjarige uit Eritrea niet erkend en BRP-registratie onjuist

Verzoekster, geboren in Eritrea, is gevlucht en woont in Nederland waar zij een relatie kreeg met de heer B. Zij heeft verklaard onder ede in Nederland gehuwd te zijn met de heer A in Eritrea, waarop dit huwelijk in de BRP is geregistreerd. Verzoekster wenst echter dit huwelijk niet erkend te zien en verzoekt aanpassing van de BRP en erkenning van de heer B als vader van haar kinderen.

De rechtbank overweegt dat het huwelijk in Eritrea gesloten toen verzoekster minderjarig was, niet automatisch erkend wordt in Nederland. Er is geen expliciet verzoek tot erkenning gedaan, slechts een verklaring onder ede om bewijsnood te ledigen. De registratie in de BRP als gehuwd is daarom onjuist en het huwelijk komt niet voor erkenning in aanmerking.

Het verzoek tot aanpassing van de BRP door de gemeente Y wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat dit verzoek eerst bij het college van burgemeester en wethouders moet worden ingediend. De erkenning van de minderjarigen door de heer B is in principe mogelijk, maar de rechtbank ziet geen noodzaak tot een verklaring voor recht hierover. Verzoeken tot gezamenlijk gezag en naamswijziging worden afgewezen omdat erkenning van de kinderen eerst moet plaatsvinden.

De rechtbank verklaart het huwelijk niet erkend en wijst de overige verzoeken af, waarbij zij de belangen van hoor en wederhoor voldoende heeft gewaarborgd. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld.

Uitkomst: Het Eritrese kindhuwelijk wordt niet erkend en de BRP-registratie als gehuwd onterecht verklaard; overige verzoeken worden afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer : C/01/338077 / FA RK 18-4381
Uitspraak : 6 maart 2020
Beschikking in de zaak van

[verzoekster]

wonende te [woonplaats] ,
hierna mede te noemen verzoekster,
advocaat mr. L.G.A.A. de Hondt-Buijs.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
  • [belanghebbende A] , geboren te [geboorteplaats] , Eritrea op een onbekende datum;
  • [belanghebbende B] , geboren te [geboorteplaats] (Ethiopië) op [geboortedatum] ;
  • De ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [X] ;
  • De ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [Y] .

De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:
  • het verzoekschrift (met bijlagen), ter griffie ingekomen op 10 september 2018;
  • een brief met bijlagen van mr. De Hondt-Buijs, gedateerd 26 oktober 2018;
  • een brief met bijlage van mr. De Hondt-Buijs, gedateerd 4 januari 2019;
  • een brief van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [X] , gedateerd 14 januari 2019.
De zaak is behandeld ter zitting van 6 december 2019. Daarbij waren aanwezig verzoekster en haar advocaat, de heer [belanghebbende B] , mevrouw [naam] en de heer [naam] in de hoedanigheid van ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [X] (hierna te noemen de ambtenaar van [X] ) en mevrouw [naam] en mevrouw [naam] in de hoedanigheid van ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [Y] (hierna te noemen de ambtenaar van [Y] ). [belanghebbende A] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
Nadien heeft de rechtbank nog kennisgenomen van:
- een brief met bijlagen van mr. De Hondt-Buijs, gedateerd 30 december 2019.

De beoordeling

De feiten
Verzoekster is geboren op [geboortedatum] in Eritrea.
Zij stelt dat zij uit Eritrea is gevlucht en dat zij op [datum] in Nederland is aangekomen. Zij heeft een verblijfsvergunning verkregen.
Verzoekster heeft in Nederland een relatie gekregen met de heer [belanghebbende B] .
Uit deze relatie zijn twee kinderen geboren:
  • [minderjarige A] , op [geboortedatum] te [X] en
  • [minderjarige B] [geboortedatum] te [X] .
Verzoekster heeft op [datum] bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [Y] onder ede verklaard dat zij op [datum] in Eritrea is gehuwd met de heer [belanghebbende A] . Op basis van deze verklaring onder ede is het huwelijk van verzoekster opgenomen in de Basisregistratie Personen (BRP).
De verzoeken
Bij oorspronkelijk verzoek verzoekt verzoekster primair te gelasten dat de gemeente [Y] en de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [Y] de BRP dient aan te passen in die zin dat verzoekster niet als gehuwd geregistreerd staat en dat [belanghebbende A] niet als juridisch vader geregistreerd staat van de kinderen en dat de geboorteakten van de kinderen en mogelijk andere registratie worden aangepast.
Subsidiair verzoekt verzoekster de echtscheiding uit te spreken
énontkenning vaderschap van [belanghebbende A] . Meer subsidiair verzoekt verzoekster benoeming van een bijzonder curator.
Daarnaast verzoekt verzoekster vaststelling van het vaderschap van [belanghebbende B] .
Ook verzoekt verzoekster wijziging van de achternaam van de kinderen.
Ten slotte verzoekt verzoekster te bepalen dat zij en [belanghebbende B] gezamenlijk belast zijn met het gezag over de kinderen en de griffier te gelasten een aantekening in het gezagsregister op te nemen.
Ter zitting hebben betrokkenen hun standpunt toegelicht.
De zaak is na de zitting aangehouden in afwachting van stukken van verzoekster ten aanzien van het verzoek inzake het gezag en ten aanzien van het verzoek inzake de aanpassing van het BRP.
De rechtbank heeft nadien kennisgenomen van de brief van mr. De Hondt-Buijs van
30 december 2019. Bij deze brief, zo begrijpt de rechtbank, wijzigt verzoekster haar verzoeken, in die zin dat zij verzoekt:
Voor recht te verklaren dat het huwelijk tussen verzoekster en de heer [belanghebbende A] niet wordt erkend en te gelasten dat de gemeente [Y] en de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [Y] de BRP dient aan te passen ten aanzien van verzoekster;
Voor recht te verklaren dat de heer [belanghebbende B] de minderjarigen kan erkennen en dat het Eritrees recht van toepassing is op de erkenning en de gemeente [X] te gelasten deze erkenning te registreren met vermelding dat van toepassing is het Eritrees recht;
Te bepalen dat verzoekster en de heer [belanghebbende B] gezamenlijk belast zijn met het gezag over de minderjarigen en de griffier te gelasten een aantekening in het gezagsregister op te nemen betreffende het gezamenlijk gezag;
De wijziging van de naam van de minderjarige te gelasten, zodra deze door [belanghebbende B] zijn erkend en te gelasten dat alsdan de gemeente [X] de onderhavige uitspraak op de geboorteakten vermeldt met aanhechting daarvan en de minderjarigen met terugwerkende kracht de namen zullen dragen, zo begrijpt de rechtbank: [namen minderjarige A] respectievelijk [namen minderjarige B] .
De rechtbank overweegt als volgt.
Allereerst overweegt de rechtbank dat zij belanghebbenden na de zitting niet opnieuw in de gelegenheid heeft gesteld om zich uit te laten over de (deels) gewijzigde verzoeken van verzoekster. Het belangrijkste verzoek dat ziet op de erkenning van het huwelijk is namelijk uitvoerig op de zitting besproken en de standpunten van belanghebbenden zijn de rechtbank genoegzaam bekend. Daarbij heeft de advocaat van verzoekster bij haar gewijzigde verzoek ook al de visies van de ambtenaren van [X] en [Y] bijgevoegd. Hierna zal verder blijken dat de rechtbank ook enkel in positieve zin voor verzoekster zal beslissen op dit verzoek. Voor het overige zullen de verzoeken niet-ontvankelijk worden verklaard of worden afgewezen en bovendien zijn deze verzoeken grotendeels gelijkluidend aan de verzoeken die al eerder door verzoekster zijn ingediend. De rechtbank is van oordeel dat de belangen van hoor en wederhoor dan ook in voldoende mate in acht zijn genomen.
Erkenning kindhuwelijk (verzoek sub 1)
Het huwelijk tussen verzoekster en de heer [belanghebbende A] is in Eritrea gesloten toen verzoekster minderjarig was. Een dergelijk huwelijk komt op grond van artikel 10:32 Burgerlijk Pro Wetboek (BW)
nietvoor erkenning in aanmerking, tenzij de echtgenoten op het moment dat erkenning van het huwelijk
gevraagdwordt beiden de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster nooit om erkenning van het huwelijk heeft gevraagd in de zin van artikel 10:32 BW Pro. Weliswaar is ten overstaan van de ambtenaar van [Y] een verklaring onder ede afgelegd, maar er is niet expliciet om erkenning van het huwelijk verzocht. Naar het oordeel van de rechtbank kan het afleggen van een verklaring onder ede niet op één lijn wordt gesteld met een verzoek om erkenning van dit huwelijk. Het afleggen van een verklaring onder ede dient namelijk ertoe de bewijsnood te ledigen wanneer er geen documenten over een huwelijk kunnen worden overgelegd. Dat verzoekster in Eritrea is getrouwd is toen ze minderjarig was, is daarmee bewezen, echter daarmee heeft verzoekster nog niet automatisch verzocht om dit (kind-)huwelijk in Nederland te erkennen. Dit zal op een meer explicietere wijze moeten zijn gebeurd omdat verzoekster zich in deze zaak van meet af aan op het standpunt heeft gesteld dat zij dit huwelijk niet erkend wenste te zien. Door de ambtenaar van de gemeente [Y] is ter zitting bevestigd dat door verzoekster niet om erkenning van het huwelijk is verzocht. In de nadien ingekomen e-mail van 9 december 2019 van [naam] staat dat de ambtenaar van de gemeente [Y] van mening is dat nu vaststaat dat het huwelijk juist is, het
moet(vetgedrukt in e-mail) worden geregistreerd. Dit standpunt, dat overigens niet gedeeld wordt door de ambtenaar van de gemeente [X] , is volgens de rechtbank om de hiervoor weergegeven redenen onjuist.
Het huwelijk van verzoekster en de heer [belanghebbende A] komt daarom niet voor erkenning in aanmerking.
Verzoekster staat dus naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte in de BRP geregistreerd als gehuwd en de heer [belanghebbende A] staat terecht niet als vader vermeld op de geboorteakte van de minderjarigen, aangezien geen sprake is van vaderschap van rechtswege als gevolg van een huwelijk.
Het voorgaande brengt met zich dat de heer [belanghebbende B] de minderjarigen kan erkennen. Voor zover deze erkenning niet mogelijk is omdat (het college van burgemeester en wethouders van) de gemeente [Y] vasthoudt aan de onjuiste BRP-registratie, gaat de rechtbank ervan uit dat (het college van burgemeester en wethouders van) de gemeente [Y] deze registratie aanpast. De rechtbank wijst daarbij op de toelichting van de minister van rechtsbescherming (Kamerstuk 32175, nr. 65) waarin wordt aangegeven dat de rechtbank kan besluiten dat een verklaring voor recht wordt afgegeven dat het huwelijk niet voor inschrijving vatbaar is en dat dit tot gevolg heeft dat (zoals hier) een eventueel al geregistreerd huwelijk weer uitgeschreven moet worden.
Aanpassing BRP (verzoek sub 1)
Voor zover de ambtenaar van [Y] meent dat voornoemde conclusie ten aanzien van de erkenning van het huwelijk en de registratie van verzoekster in de BRP als zijnde gehuwd onjuist is, gaat de rechtbank ervan uit dat door de ambtenaar van [Y] hoger beroep tegen deze beschikking wordt ingesteld om te voorkomen dat verzoekster tussen wal en schip raakt, namelijk tussen de ambtenaar van de burgerlijke stand die gaat over de registers van de burgerlijke stand en het college van burgemeester en wethouders dat gaat over de BRP-registratie.
Verzoekster is niet ontvankelijk in haar verzoek om de gemeente [Y] te gelasten de BRP aan te passen omdat dit verzoek eerst bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [Y] dient te worden gedaan en niet bij de rechtbank. Pas als een dergelijk verzoek vergeefs is, waar de rechtbank gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet vanuit gaat, kan verzoekster bij de bestuursrechter terecht.
Erkenning minderjarigen door de heer [belanghebbende B] (verzoek sub 2)
Het is de rechtbank niet gebleken dat op dit punt sprake is van een geschil indien en voor zover met inachtneming van het voorgaande besluiten door de betrokken bestuursorganen zullen worden genomen. Wanneer er geen (andere) vader op grond van het huwelijk is, dan ligt de weg in beginsel vrij voor de heer [belanghebbende B] om de minderjarigen te erkennen. Dit blijkt ook uit door de verzoekster ingestuurde e-mail van de ambtenaar van de gemeente [X] . De rechtbank ziet dan ook geen noodzaak om hierover een verklaring voor recht af te geven. Het voert verder te ver voor de rechtbank om nu al een oordeel te geven over het recht dat daarbij moet wordt toegepast op de erkenning. Dit is in de eerste plaats aan de ambtenaar om daarover een standpunt te bepalen zodra om erkenning wordt verzocht. Wel wil de rechtbank verzoekster meegeven dat ingevolge artikel 10:17 BW Pro de persoonlijke staat van de vreemdeling die in het bezit is van een asielvergunning, wordt beheerst door het recht van zijn woonplaats, in dit geval Nederlands recht. Dit zou in deze casus van invloed kunnen zijn op het standpunt van de ambtenaar terzake het toepasselijk recht op de erkenning.
Gezamenlijk gezag (verzoek sub 3)
De rechtbank kan dit verzoek niet toewijzen omdat eerst de heer [belanghebbende B] de minderjarigen zal moeten erkennen. Thans is ook verder nog helemaal niet duidelijk of zich hier vervolgens het geschil zal voordoen dat verzoekster verwacht.
Wijziging naam minderjarigen (verzoek sub 4)
Ook deze verzoeken zal de rechtbank afwijzen omdat eerst sprake zal moeten zijn van erkenning van de minderjarigen en het de rechtbank verder ook niet duidelijk is welk geschil zich hier nu precies voordoet aangezien de ambtenaar van de gemeente [X] dezelfde namen na erkenning noemt als verzoekster zelf voorstaat. Niet is toegelicht verder op welke wettelijke grondslag verzoekster zich baseert wanneer zij stelt dat de te wijzigen namen met terugwerkende kracht dienen te gelden of welk belang daarmee is gemoeid, nog daargelaten dat dit nog geen geschil is dat zich feitelijk al voordoet.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek de gemeente [Y] te gelasten de BRP aan te passen en voor recht verklaren dat het huwelijk van verzoekster en de heer [belanghebbende A] niet voor erkenning in aanmerking komt. De overige verzoeken zullen worden afgewezen.

De beslissing

De rechtbank:
verklaart voor recht dat het huwelijk van verzoekster en de heer [belanghebbende A] niet voor erkenning in aanmerking komt en dus niet vatbaar is voor inschrijving in het BRP;
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek de gemeente [Y] te gelasten de BRP aan te passen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.L. Wijnen, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 6 maart 2020.
Conc: WM(O
Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op
andere wijze bekend is geworden.