Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.De procedure
2.De feiten
“KOOPAKTE”.
3.De vordering, de grondslag en het verweer
4.De beoordeling
“(…) De bedoeling van ons bezoek was in eerste instantie het oplossen van het vanaf 1986 tot op heden, december 2006, lopende huurcontract. Grootte van stuk tuindersgrond ca. 7000 m2. Zie bijgaande bescheiden voor overeenkomst en te betalen huurbedrag. Na een uitvoerige uitleg onzerzijds is het volgende overeengekomen: De heer [gedaagde] heeft in [woonplaats 2] of [woonplaats 8] een stuk grond liggen waarvoor een eventuele koper is, die hem hiervoor ca. € 85.000,= wil betalen. Dit bedrag zal dekkend zijn voor hetgeen overeengekomen is, dat de heer [gedaagde] moet betalen aan de heer [A] zijnde achterstallige huur/rente omtrent bedoelde grond. (…)”Hiermee heeft [gedaagde] erkend dat er sprake is van een huurconstructie tussen partijen, omdat de levering van de grond (zoals aan de orde bij een koopovereenkomst) nooit heeft plaatsgevonden en [gedaagde] gebruik is blijven maken van de grond, aldus [eiseres] .