De rechtbank Oost-Brabant behandelde op 25 februari 2020 het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) tot machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van een cliënt die vermoedelijk lijdt aan het syndroom van Korsakov. Hoewel de medische verklaring niet door een psychiater was ondertekend, achtte de rechtbank de diagnose voldoende onderbouwd en vond zij het afwijzen van het verzoek onverantwoord vanwege het onmiddellijk dreigend levensgevaar voor de cliënt.
De cliënt vertoont ernstig zorgwekkend gedrag en verkeert in een zorgelijke somatische toestand, waaronder ernstig ondergewicht en risico op lichamelijk letsel, verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. De rechtbank stelde vast dat er geen minder bezwarende alternatieven zijn om het ernstig nadeel te voorkomen. De cliënt verblijft onvrijwillig in een Wzd-accommodatie, wat door de arts en familie werd bevestigd.
De rechtbank overwoog tevens dat het syndroom van Korsakov, hoewel nog niet formeel onder de Wet zorg en dwang valt, vergelijkbare gedragsproblemen en zorgbehoeften veroorzaakt als psychogeriatrische aandoeningen. Daarom werd vooruitgelopen op de nog niet in werking getreden AMvB die Korsakov als gelijkgestelde aandoening aanwijst. De machtiging werd verleend voor zes weken, tot uiterlijk 7 april 2020.