ECLI:NL:RBOBR:2019:7823
Rechtbank Oost-Brabant
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek rechter-commissaris wegens vermeende vooringenomenheid
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter-commissaris die betrokken is bij zijn strafzaak, stellende dat sprake zou zijn van vooringenomenheid, met name rondom de benoeming van een forensisch kinderarts als deskundige. De rechtbank heeft het procesdossier, schriftelijke reacties en de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek bestudeerd.
De rechter-commissaris heeft op verzoek van de officier van justitie een deskundige benoemd en de kennisgeving daarvan uitgesteld in het belang van het opsporingsonderzoek, conform artikel 228 lid 1 en Pro 2 Sv. De raadsman van verzoeker is hierover later geïnformeerd en kreeg de opdracht en benoeming zodra dit mogelijk was. De rechtbank oordeelt dat dit uitstel wettelijk is toegestaan en dat de rechter-commissaris haar beslissing voldoende heeft gemotiveerd.
Verder is overwogen dat de benoemde deskundige, hoewel niet geregistreerd in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen, wel werkzaam is binnen het geaccrediteerde kwaliteitssysteem van het NFI, en dat de beoordeling van de deskundige en het rapport aan de strafrechters wordt overgelaten. Ook klachten over het niet reageren op e-mails en het niet delen van informatie worden niet als grond voor wraking gezien.
De rechtbank concludeert dat er geen feiten of omstandigheden zijn die een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid rechtvaardigen. Het wrakingsverzoek wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter-commissaris wordt afgewezen wegens gebrek aan objectieve aanwijzingen voor vooringenomenheid.