ECLI:NL:RBOBR:2019:7821
Rechtbank Oost-Brabant
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende partijdigheid in nalatenschapszaken
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. A.G.M.H. Bennenbroek, kantonrechter bij de rechtbank Oost-Brabant, vanwege vermeende partijdigheid in twee nalatenschapszaken. Verzoeker stelde dat de rechter en vereffenaar nauwe banden hadden, onder meer door gezamenlijke workshops, en dat eerdere onwelgevallige beslissingen reden waren voor wraking.
De rechtbank nam kennis van het schriftelijke wrakingsverzoek, de reactie van de rechter en aanvullende documenten, en behandelde het verzoek mondeling. De rechter berustte niet in het wrakingsverzoek. De rechtbank overwoog dat wraking alleen mogelijk is bij objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid, waarvoor concrete omstandigheden moeten worden aangevoerd.
De rechtbank oordeelde dat de gestelde omstandigheden onvoldoende waren om de onpartijdigheid van de rechter aan te tasten. Het feit dat de rechter en vereffenaar samen cursussen geven, zonder bespreking van lopende zaken, wekt geen schijn van partijdigheid. Ook eerdere onwelgevallige beslissingen en het verlenen van uitstel aan de vereffenaar vormden geen grond voor wraking.
De rechtbank concludeerde dat het wrakingsverzoek ongegrond was en wees het af. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige wrakingskamer bestaande uit voorzitter mr. I.L.A. Boer en leden mr. E.C.P.M. Valckx en mr. V.R. de Meyere op 7 november 2019.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen rechter Bennenbroek is afgewezen wegens gebrek aan concrete aanwijzingen voor vooringenomenheid.