ECLI:NL:RBOBR:2019:7805

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
18 januari 2019
Publicatiedatum
16 november 2021
Zaaknummer
WR 19/004
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 37 RvArt. 39 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens te late en onvoldoende onderbouwde indiening

In deze zaak diende verzoekster een wrakingsverzoek in tegen de voorzieningenrechter die het kort geding behandelde. Het kort geding betrof een zaak waarbij verzoekster partij was, maar zij was zelf niet verschenen bij de zitting op 17 december 2018. Na sluiting van het onderzoek werd medegedeeld dat het vonnis op 14 januari 2019 zou worden gewezen.

Het wrakingsverzoek werd pas op 12 januari 2019 ingediend, gericht tegen het optreden van de rechter tijdens de zitting van 17 december 2018. Verzoekster stelde dat haar gemachtigde, haar broer, niet het woord had mogen voeren en dat de rechter partijdig zou zijn, maar zij gaf geen concrete omstandigheden ter onderbouwing van deze stellingen.

De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek niet tijdig was ingediend en niet voldeed aan de wettelijke vereisten van artikel 37 Rv Pro, dat voorschrijft dat feiten en omstandigheden die aanleiding geven tot wraking tegelijk moeten worden voorgedragen zodra deze bekend zijn. Daarom werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard en werd afgezien van een mondelinge behandeling, aangezien er geen debat over de gegrondheid van het verzoek plaatsvond.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek werd niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

beslissing
RECHTBANKOOST-BRABANT
Wrakingskamer
Zaaknummer: WR 19/004
Beslissing van de wrakingskamer van 18 januari 2019
op het verzoek ex artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van
[verzoekster], verzoekster tot wraking,
dat strekt tot wraking van
mr. A.H.L. Roosmale Nepveu, in zijn hoedanigheid van voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant bij de behandeling van het kort geding met zaak-/rolnummer C/01/340374 / KG ZA 18-669.
Partijen zullen hierna [naam] en de rechter worden genoemd.

1.Procesverloop

In het kort geding is [naam] één van de gedaagde partijen. Het kort geding is op
17 december 2018 ter zitting behandeld. [naam] is daarbij niet verschenen. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechter partijen meegedeeld dat hij
14 januari 2019 vonnis zal wijzen.
Bij faxbericht van 12 januari 2019 heeft [naam] de rechter gewraakt. Het wrakingsverzoek is gedateerd 13 januari 2019. Op grond van de hiernavolgende overwegingen is afgezien van een behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting.

2.De beoordeling van het wrakingsverzoek

In het wrakingsverzoek heeft [naam] aangegeven dat haar broer tijdens de zitting niet het woord heeft mogen voeren als haar gemachtigde en gesteld dat de rechter zeer partijdig is gebleken. Concrete omstandigheden waarop deze stelling is gebaseerd zijn niet vermeld.
De wet schrijft voor dat het wrakingsverzoek wordt gedaan zodra de feiten en omstandigheden die aanleiding gaven tot het wrakingsverzoek bekend zijn geworden en dat deze tegelijk moeten worden voorgedragen (artikel 37 Rv Pro). Het eerst op 12 januari 2019 ingediende wrakingsverzoek, dat is gericht tegen het optreden van de rechter tijdens de zitting van 17 december 2018, voldoet niet aan deze voorschriften. Om die reden kan
[naam] niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen en zal het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor een behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling (artikel 39 Rv Pro) is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het wrakingsverzoek. Aan dat debat wordt echter, gelet op de voorgaande overwegingen, niet toegekomen.

3.De beslissing

De wrakingskamer verklaart het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2019 in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier.
griffier voorzitter