ECLI:NL:RBOBR:2019:7249

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
18 december 2019
Publicatiedatum
13 december 2019
Zaaknummer
19/1276
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 HabitatrichtlijnArt. 2.8 Wet natuurbeschermingArt. 8:57 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging natuurvergunning vanwege niet voldoen passende beoordeling PAS aan Habitatrichtlijn

De rechtbank Oost-Brabant deed op 18 december 2019 uitspraak in een zaak waarin milieuverenigingen beroep instelden tegen een natuurvergunning verleend door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant. De vergunning betrof het uitbreiden/wijzigen van een rundveehouderij en was verleend met verwijzing naar de passende beoordeling van het Programma Aanpak Stikstof (PAS).

De eisers stelden dat de vergunning onrechtmatig was omdat de passende beoordeling en het PAS niet voldoen aan de eisen van artikel 6 van Pro de Habitatrichtlijn. De rechtbank volgde de eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) die oordeelde dat de passende beoordeling van het PAS niet voldeed aan deze richtlijn.

Hierdoor kon de vergunning niet worden verleend onder verwijzing naar deze passende beoordeling, waardoor het besluit in strijd was met artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de provincie eerst een nieuw ontwerpbesluit moet opstellen en ter inzage leggen.

Daarnaast werd de provincie veroordeeld tot vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht en de proceskosten, vastgesteld op respectievelijk €345 en €512. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat de passende beoordeling van het PAS niet voldoet aan artikel 6 van de Habitatrichtlijn.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 19/1276

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2019 in de zaak tussen

[naam] en [naam] , te [vestigingsplaats] , eisers(gemachtigde: [naam] ),

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, verweerder.

De rechtbank heeft
[naam], te [woonplaats] , aangemerkt als derde-partij in deze procedure.

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2019 heeft verweerder aan de derde-partij een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) verleend voor het uitbreiden/wijzigen van een rundveehouderij aan de [adres] .
Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld.
De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft nu partijen, desgevraagd, niet hebben aangegeven gebruik te willen maken van hun recht ter zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. Verweerder heeft bij het bestreden besluit vergunning verleend voor een activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt op stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Verweerder heeft daarbij toepassing gegeven aan het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 (het PAS) en de daarbij behorende regelgeving die vanaf 1 juli 2015 van kracht is. De vergunning kan volgens verweerder worden verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is opgesteld. Met toepassing en uitvoering van het PAS is volgens verweerder gewaarborgd dat de stikstofdepositie die het uitbreiden/wijzigen van de veehouderij zal veroorzaken, niet zal leiden tot een aantasting van de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden.
2. De strekking van het beroep is - kort gezegd - dat de vergunning niet kon worden verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt, omdat de passende beoordeling en het PAS niet voldoen aan artikel 6 van Pro de Habitatrichtlijn.
3. De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, heeft geoordeeld dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die uit artikel 6 van Pro de Habitatrichtlijn voortvloeien.
4. Het voorgaande betekent dat verweerder de vergunning voor het uitbreiden/wijzigen van de veehouderij niet kon verlenen onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 2.8 van de Wnb.
5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.
6. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, kan verweerder voor het alsnog te nemen besluit op de aanvraag niet terugvallen op de eerder gevoerde procedure. Verweerder dient eerst een ontwerpbesluit op te stellen en ter inzage te leggen.
7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hun betaalde griffierecht vergoedt.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 512,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,00 aan eisers te vergoeden.
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 512,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 18 december 2019.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.