Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.De procedure
- het tussenvonnis van 20 maart 2019,
- het proces-verbaal van comparitie van 10 september 2019.
2.De feiten
De comparanten verklaarden:
- dat zij sinds achtentwintig april tweeduizendzeventien samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren;
- dat zij ter voldoening aan een door hen jegens elkaar gevoelde morele verzorgingsplicht en ter regeling van hun onderlinge vermogensrechtelijke verhouding de navolgende vermogensrechtelijke regelingen zijn overeengekomen.
toevoeging rb: erflater)bij de gezamenlijke aankoop van de woning (…) te [woonplaats 2] en/of de inboedel een bedrag groot driehonderdvijfenveertigduizend euro (€ 345.000,00) uit eigen middelen aan de financiering van die zaken heeft bijgedragen, terwijl de bijdrage van partij 2 (
toevoeging rb: [gedaagde] )een bedrag groot negentigduizend euro (€ 90.000,00) bedroeg. Genoemde zaken zijn door partijen ieder voor de onverdeelde helft in eigendom verkregen, zodat partij 1 een bedrag groot tweehonderdvijfenvijftigduizend euro ( € 255.000,00) meer heeft bijgedragen dan partij 2.
3.Het geschil
4.De beoordeling
Samenvatting van het geschil.
de overeenkomstkan eindigen.
- partijen deze in gezamenlijk overleg feitelijk hebben beëindigd en
- partijen zijn overgegaan tot verdeling van hun gezamenlijke goederen.
datde overeenkomst zou gaan eindigen,
wanneerdeze zou eindigen en diende een opzegtermijn te worden gehanteerd om de ander in de gelegenheid te stellen zich aan te passen aan de gewijzigde situatie. Erflater heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid om de overeenkomst te beëindigen.
gevestigd(waaruit kan blijken dat de samenleving feitelijk is geëindigd).