ECLI:NL:RBOBR:2019:4312
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen besluit weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Eiser heeft zich op 9 maart 2016 ziekgemeld en een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft bij besluit van 6 maart 2018 vastgesteld dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering. Eiser maakte bezwaar, dat bij besluit van 26 september 2018 ongegrond werd verklaard.
Eiser betwist de beoordeling van zijn beperkingen, met name op het gebied van persoonlijk en sociaal handelen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Hij stelt dat zijn klachten onderschat zijn en dat hij verdergaande beperkingen heeft, onderbouwd met medische rapporten. De rechtbank stelt dat het UWV zijn besluit mag baseren op het rapport van een verzekeringsarts, tenzij dit rapport onzorgvuldig, inconsequent of onvoldoende gemotiveerd is.
De rechtbank oordeelt dat het onderzoek van de verzekeringsarts zorgvuldig is uitgevoerd, inclusief dossierstudie, spreekuur en psychisch onderzoek. De verzekeringsarts heeft relevante medische informatie betrokken, waaronder psychodiagnostisch onderzoek en behandelplannen. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling van de belastbaarheid. De klachten van eiser zijn niet aangetoond als direct gevolg van een medisch aantoonbare ziekte of gebrek. Ook eerdere beperkingen die door een andere verzekeringsarts waren vastgesteld, zijn door de betrokken arts gemotiveerd heroverwogen.
De rechtbank concludeert dat de geselecteerde functies passend zijn en dat het beroep ongegrond is. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot weigering van een WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard.