Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Cuijk, verweerder
[naam 1] B.V., te Boxmeer.
Procesverloop
.
Overwegingen
Niet bevoegd / gebruiksovergangsrecht
Op grond van artikel 37.2, onder d, is het bepaalde onder a niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Het bestemmingsplan is op 6 december 2012 in werking getreden.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank eisers stelling dat het kamerverhuurbedrijf onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan valt niet deelt, zodat verweerder bevoegd was aan eiser een last onder dwangsom op te leggen om het gebruik van het pand voor kamerbewoning te beëindigen. De beroepsgrond, inhoudende dat die bevoegdheid ontbrak, slaagt daarom niet.
Legalisatie
23 juli 2015 al aangegeven dat een pension/kamerverhuurbedrijf ter plaatse aanvaardbaar is. Eiser is bereid een aanvraag om omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan in te dienen als vast staat dat deze is vereist.
.Dat verweerder bereid is gebleken om mee te werken aan verlening van een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van kamerverhuur is daarvoor niet voldoende. Er moet ten minste al een begin zijn gemaakt met de voor verlening van die vergunning vereiste procedure. Dit is niet mogelijk zonder een formele aanvraag. Vast staat dat ten tijde van het bestreden besluit nog geen aanvraag was ingediend voor verlening van een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van kamerverhuur. Verweerder heeft in zijn voornemen tot oplegging van een dwangsom van
24 augustus 2018 ook duidelijk aangegeven dat er alleen in dat geval bereidheid zou zijn om mee te werken aan legalisatie. Onder die omstandigheden is van een concreet zicht op legalisatie geen sprake.
De beroepsgrond kan daarom niet slagen.
Opgewekt vertrouwen
23 juli 2015 over het principebesluit en verweerders brief van 28 november 2017 over de acceptatie van de ‘melding brandveilig gebruik’ zijn geen opmerkingen gemaakt over een met het bestemmingsplan strijdig gebruik en dat had wel op de weg van verweerder gelegen wanneer daarvan sprake zou zijn.
29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1694). Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval in de door eiser aangehaalde brieven uitlatingen zijn gedaan waarmee de indruk is gewekt dat het gebruik voor kamerbewoning als zodanig, zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning voor afwijking, is toegestaan en dat op dit punt van handhavend optreden zou worden afgezien. In de brief van 23 juli 2015
(aan [naam 2] B.V) heeft verweerder aangegeven dat op 30 maart 2015 in principe en onder voorwaarden is besloten medewerking te verlenen aan het gebruik voor kamerverhuur van het pand. Dit houdt volgens de brief in dat medewerking wordt verleend aan een aanvraag omgevingsvergunning voor gebruik afwijkend van het bestemmingsplan ter plaatse van [adres] voor wonen uitsluitend in de vorm van kamerverhuur, waarbij vijf eisen worden gesteld aan de inrichting en het gebruik van het pand. In de brief is uitdrukkelijk vermeld dat het gebruik voor kamerverhuur met het principebesluit en deze brief niet is geregeld en dat het gebruik pas formeel is toegestaan na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning. Daaraan is toegevoegd dat als geen omgevingsvergunning wordt aangevraagd, als niet voldaan wordt aan het principebesluit of als er een andere reden voor weigering is, het handhavingstraject weer wordt opgepakt. Voor het indienen van de aanvraag omgevingsvergunning heeft verweerder een termijn van acht weken gesteld.
Een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan evenmin worden gebaseerd op de mededeling in de brief van 28 november 2017 aan derde-partij waarmee verweerder de melding brandveilig gebruik heeft geaccepteerd. Deze brief heeft betrekking op het brandveilig gebruik van het pand voor de bewoning daarvan. Er staat niet in dat verweerder niet handhavend zal optreden tegen de kamerbewoning zelf. Ook overigens is uit de stukken niet gebleken dat verweerder dit heeft beoogd. Eiser is er herhaaldelijk op gewezen, onder meer in de brieven van 4 november 2014, 8 juni 2015 en het voornemen tot opleggen van een last onder dwangsom van 8 maart 2016 en 24 augustus 2018, dat het voldoen aan de brandveiligheidseisen los moet worden gezien van het strijdig gebruik van het pand voor kamerverhuur. Dat met de brief over het principebesluit en de acceptatie van de melding brandveilig gebruik bij eiser mogelijk verwachtingen zijn gewekt over de planologische toelaatbaarheid van het gebruik voor kamerbewoning is onder de hiervoor geschetste omstandigheden onvoldoende voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel.
Deze beroepsgrond faalt.
Conclusie
Beslissing
mr. A.G.M. Willems, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 2 juli 2019.