Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
De formele voorvragen.
De bewijsvraag.
feit 1 primair).
Rechtbank Oost-Brabant
Op 4 juni 2018 vond een incident plaats waarbij het slachtoffer ernstig werd mishandeld. Verdachte en een medeverdachte gingen samen naar het huis van het slachtoffer, waar een worsteling ontstond. Het slachtoffer verklaarde dat verdachte hem met een mes had gesneden, maar forensisch onderzoek wees dit tegen.
De rechtbank stelde vast dat verdachte een mes bij zich had, maar dat het letsel van het slachtoffer waarschijnlijk was toegebracht door een hard voorwerp zonder scherpe randen, en dat het niet kon worden vastgesteld dat verdachte daadwerkelijk geweld had gebruikt. Ook was er geen bewijs dat verdachte een materiële bijdrage van voldoende gewicht had geleverd aan het geweld dat door de medeverdachte werd gepleegd.
De rechtbank oordeelde dat medeplegen alleen kan worden aangenomen bij nauwe en bewuste samenwerking met een voldoende intellectuele en/of materiële bijdrage. Dit was niet vastgesteld. Verdachte werd daarom vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Tevens werd de voorlopige hechtenis opgeheven en werden in beslag genomen goederen teruggegeven.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van medeplegen of het plegen van geweldshandelingen.