Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 februari 2018 in de zaak tussen
Landgoed De Oldenbergen B.V., in [vestigingsplaats] , verzoekster
de burgemeester van de gemeente Landerd, de burgemeester
Procesverloop
Overwegingen
“activiteiten”vermeld:
“Bemiddeling bij handel, huur of verhuur van onroerend goed. Het aan- en verkopen, bewerken en verhuren van landbouwgronden; houdsteractiviteiten; vermogensbeheer; pensioenbeheer; managementactiviteiten; verwerven en exploiteren van landgoederen”.
(…)
- De toegang via het erf is onontbeerlijk geweest om bij de loods te komen;
- Er door het drugslaboratorium afval geloosd is aan de achterkant van de loods waardoor een deel van het terrein vervuild is (…)
- Het vele verkeer richting loods moet door de ingangspoort langs het huis van dhr. [naam] .
Daarnaast gelden de argumenten op basis van 174 Gw waarvan de burgemeester bevoegd is de bevelen te geven die met het oog op de bescherming van veiligheid en gezondheid nodig zijn.
- De erven zijn vrij toegankelijk voor iedereen, die activiteiten ontplooit die voortvoeien uit de verschillende bedrijven die op het terrein gevestigd zijn;
- Het onderzoek naar de volledige verontreiniging is nog steeds niet uitgevoerd(…);
- De bodemsanering heeft daarom nog steeds niet plaatsgevonden (…).
“op basis van de bevoegdheden conform Gw 174 die de burgemeester heeft”. De voorzieningenrechter stelt vast dat artikel 174 van Pro de Gemeentewet in het bestreden besluit in het geheel niet is genoemd, laat staan dat daarin is gemotiveerd waarom dat artikel de grondslag zou kunnen vormen voor een sluiting zoals hier aan de orde. Met wat de burgemeester daarover in het verweerschrift heeft opgenomen, is die motivering evenmin gegeven. Artikel 174 van Pro de Gemeentewet schrijft voor dat de burgemeester belast is met het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden, en op de voor publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. In het tweede lid van dat artikel staat dat de burgemeester bevoegd is om bij de uitoefening van dat toezicht de bevelen te geven die met het oog op de bescherming van veiligheid en gezondheid nodig zijn. De burgemeester heeft niet duidelijk gemaakt waarom sluiting van niet alleen de loods, maar ook de overige opstallen en de rest van het perceel nodig is met het oog op de bescherming van veiligheid en gezondheid. De stelling dat het perceel vrij toegankelijk is voor iedereen die er activiteiten ontplooit en dat de bodemsanering nog niet heeft plaatsgevonden, is daartoe in elk geval niet voldoende. De burgemeester heeft een last onder dwangsombesluit genomen waarin verzoekster wordt verplicht over te gaan tot bodemsanering. Verder is op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat bezoekers of gebruikers van het perceel gevaar lopen als gevolg van het inmiddels niet meer aanwezige drugslaboratorium of de nog wel aanwezige bodemverontreiniging. Tijdens de zitting heeft verzoekster gesteld dat de verontreiniging volgens de instantie die zij heeft ingehuurd om de bodem te saneren, heeft vastgesteld dat alleen direct achter de loods sprake was van verontreiniging, dat daar een gebied van 3 bij 8 meter moet worden afgegraven en dat er geen schade was aan bomen, vijver of grondwater. De gemachtigde van de burgemeester heeft dat slechts weersproken door te stellen dat hij uitgaat van een rapport van de Omgevingsdienst waarin staat dat bomen waren aangetast. Dat rapport is door de burgemeester echter niet overgelegd en de voorzieningenrechter kan dus niet vaststellen wat er in het rapport staat.