De rechtbank Oost-Brabant heeft op 5 december 2018 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een rechtspersoon die in de jaren 2015 en 2016 meer kippen hield dan het op het bedrijf rustende pluimveerecht toestond. Uit controle van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit bleek dat in 2015 gemiddeld 66.712 pluimvee-eenheden werden gehouden terwijl het toegestane aantal 19.446 was, en in 2016 gemiddeld 55.402 pluimvee-eenheden tegenover dezelfde toegestane 19.446.
De rechtbank heeft op basis van de verklaringen van een verbalisant en de bekennende verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte vastgesteld dat deze feiten wettig en overtuigend bewezen zijn. Verdachte is strafbaar bevonden voor het opzettelijk overtreden van het pluimveerecht, wat een inbreuk vormt op de Meststoffenwet die gericht is op het terugdringen van mestoverschotten en bescherming van de bodem.
Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de overtreding, het feit dat verdachte een rechtspersoon is, en de draagkracht van het bedrijf. Er is een geldboete opgelegd van €40.000, waarvan €20.000 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Dit om zowel de ernst van het delict te benadrukken als herhaling te voorkomen. De eis van de officier van justitie van €50.000 waarvan €25.000 voorwaardelijk is deels toegewezen. De verdediging had gepleit voor een geheel voorwaardelijke straf, maar dit is niet gevolgd.