ECLI:NL:RBOBR:2018:3995

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
8 augustus 2018
Publicatiedatum
11 augustus 2018
Zaaknummer
C/01/334242 / HA ZA 18-336
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 216 PensioenwetArt. 93 sub d RvArt. 8 lid 4 WGBZ
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing civiele zaak naar kantonrechter op grond van Pensioenwet

In deze civiele procedure vordert eiseres een nabestaandenpensioen dat Philips als werkgever aan haar ex-echtgenoot heeft toegezegd. Philips verzoekt de rechtbank de zaak te verwijzen naar de kantonrechter, omdat deze volgens artikel 216 Pensioenwet Pro en artikel 93 sub d Rv Pro bevoegd is om geschillen over pensioenregelingen te behandelen.

Eiseres betoogt dat haar vorderingen een onbepaalde waarde hebben en dat zij subsidiair een onrechtmatige daad aanvoert, maar erkent dat de rechtbank hierover heeft geoordeeld. De rechtbank oordeelt dat de reikwijdte van artikel 216 Pensioenwet Pro ruim moet worden geïnterpreteerd, zodat ook vorderingen uit onrechtmatige daad die voortvloeien uit pensioenregelingen onder de bevoegdheid van de kantonrechter vallen.

Daarom wordt de zaak verwezen naar de kamer voor kantonzaken. Omdat eiseres de zaak bij de verkeerde rechter heeft ingediend en daardoor een incident heeft veroorzaakt, wordt zij veroordeeld in de proceskosten van het incident. Tevens wordt gewezen op de mogelijkheid om in de vervolgprocedure zonder advocaat op te treden en op een verlaging van het griffierecht.

Uitkomst: De rechtbank verwijst de zaak naar de kantonrechter en veroordeelt eiseres in de proceskosten van het incident.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rolnummer: C/01/334242 / HA ZA 18-336
Vonnis in incident van 8 augustus 2018
in de zaak van
[eiseres 1],
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. T. de Mos te Waalre,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
PHILIPS NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Eindhoven,
2. de naamloze vennootschap
KONINKLIJKE PHILIPS N.V.,
gevestigd te Eindhoven,
3. de stichting
STICHTING PHILIPS PENSIOENFONDS,
gevestigd te Eindhoven,
gedaagden in de hoofdzaak,
eiseressen in het incident,
advocaat mr. R.H. Maatman te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiseres 2] en Philips genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • de incidentele conclusie tot verwijzing naar de kantonrechter
  • de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
De vorderingen van [eiseres 2] in de hoofdzaak betreffen het door Philips als werkgever aan de ex-echtgenoot van [eiseres 2] toegezegde nabestaandenpensioen.
2.2.
Philips vordert dat de rechtbank de zaak verwijst naar de kamer voor kantonzaken, omdat de kantonrechter te Eindhoven op grond van artikel 216 Pensioenwet Pro jo. artikel 93 sub d Rv Pro bevoegd is kennis te nemen van vorderingen uit hoofde van het pensioenreglement van Stichting Pensioenfonds Philips. Philips vordert [eiseres 2] te veroordelen in de kosten van het incident.
2.3.
[eiseres 2] refereert zich wat betreft de verwijzing aan het oordeel van de rechtbank, maar wijst er wel op dat de hoogte van haar vorderingen in de hoofdzaak een onbepaalde waarde hebben en dat zij subsidiair aan die vorderingen ten grondslag legt dat Philips onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. [eiseres 2] meent dat zij geen proceskosten in het incident verschuldigd is, omdat zij Philips bij de juiste rechtbank heeft gedagvaard.
2.4.
Artikel 216 Pensioenwet Pro luidt:
“Zaken betreffende vorderingen uit hoofde van een pensioenovereenkomst, een uitvoeringsovereenkomst, een uitvoeringsreglement of een pensioenreglement worden door de kantonrechter behandeld en beslist.”
2.5.
Mede gelet op de memorie van toelichting behorende bij artikel 216 Pensioenwet Pro is de rechtbank van oordeel dat de zinsnede ‘vorderingen uit hoofde van’ ruimer uitgelegd moet worden dan dat de vordering rechtstreeks is gebaseerd op nakoming van een pensioenovereenkomst, een uitvoeringsovereenkomst, een uitvoeringsreglement of een pensioenreglement. Onder de reikwijdte van artikel 216 Pensioenwet Pro kunnen daarom alle geschillen vallen die voortvloeien uit dergelijke pensioenregelingen. Dat geldt ook voor de onrechtmatige daad die [eiseres 2] subsidiair aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd.
2.6.
Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank betreft de vordering van [eiseres 2] daarom een onderwerp dat op grond van art. 216 Pensioenwet Pro en art. 93 onder Pro d Rv door de kantonrechter wordt behandeld, ongeacht het beloop of de waarde van de vordering. Daarom zal de zaak worden verwezen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank.
2.7.
Omdat [eiseres 2] de zaak bij de verkeerde rechter aanhangig heeft gemaakt en daardoor heeft veroorzaakt dat Philips dit incident aanhangig moest maken, zal [eiseres 2] in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
wijst de vordering toe,
3.2.
veroordeelt [eiseres 2] in de kosten van het incident, aan de zijde van Philips c.s. tot op heden begroot op € 543,00,
3.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
3.4.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank, locatie Eindhoven, op donderdag
30 augustus 2018om 09:00 uur,
3.5.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
3.6.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZ Pro zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2018.