ECLI:NL:RBOBR:2018:3136
Rechtbank Oost-Brabant
- Voorlopige voorziening
- M.H. Dworakowski - Kelders
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting woning en bedrijfspand wegens drugslab
Verzoekers wonen op een perceel met een woning en een bedrijfspand, waarvan het bedrijfspand sinds 1 april 2018 is verhuurd aan een derde. Na een brand op 24 mei 2018 in het bedrijfspand, waarbij vermoedelijk chemische stoffen vrijkwamen, heeft de burgemeester op 25 mei 2018 de woning, het bedrijfspand en het perceel gesloten voor 12 maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
Tijdens een bestuurlijk onderzoek werden in het bedrijfspand diverse chemicaliën en apparatuur voor de productie van synthetische drugs aangetroffen, evenals 17 xtc-pillen in de woning. Verzoekers maakten bezwaar tegen het besluit en vroegen om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat de sluiting van het bedrijfspand niet wordt betwist en dat de woning en het bedrijfspand als één samenhangend geheel kunnen worden gezien.
Verzoekers stelden dat de xtc-pillen voor eigen gebruik waren en dat zij niet op de hoogte waren van het drugslaboratorium. De voorzieningenrechter verwierp deze stellingen, verwijzend naar vaste rechtspraak dat de aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs in beginsel bestemd wordt geacht voor verkoop en dat onwetendheid over drugsactiviteiten de bevoegdheid tot sluiting niet aantast.
Verder werd geoordeeld dat de burgemeester voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van verzoekers en hun minderjarige kinderen, onder meer doordat zij tijdelijk onderdak hebben bij een familielid en de gemeente bereid is mee te denken bij eventuele problemen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van woning en bedrijfspand wordt afgewezen.